Zorg is slim

Armonea zet de bewoner centraal 
met C-Me

Woonzorgcentrumspeler Armonea wil haar bewoners via ‘C-Me’ (See Me/Zie Mij) een persoonsgerichte ervaring bieden. Zo kunnen mensen zo veel mogelijk de regie over hun eigen leven in handen houden. Een evidentie, zo lijkt het, maar dat is het vaak niet. “Alles begint met écht luisteren naar de bewoners.” 

Livien Troch, 91 lentes, is een man met een verhaal. Een open boek, ook. Wanneer we zijn kamer betreden, zien we aan de muur de jonge versie. Een knappe, gespierde wielrenner met heel snelle benen, in zwart-wit. Vele foto’s verwijzen naar zijn ondertussen lang vervlogen wielercarrière. Voor de wielerfans onder jullie: deze man won de Omloop Het Volk en Gent-Wevelgem, en vele andere koersen. Hij haalt zijn knipselmap boven met vergeelde krantenartikelen. “Een boerken uit Wetteren, zo schreven ze over mij, maar ik won wel vaak”, lacht de man die nog met Rik Van Steenbergen koerste. 

Even later zit hij op ‘zijn’ hometrainer, waar hij nog dagelijks zijn kuiten boetseert, in de groene trui en mét koerspet. De fotograaf is in zijn nopjes, wij ook. Deze man straalt levenslust uit. Opeens wordt hij heel ernstig. “Het was de bedoeling dat mijn vrouw en ik samen naar dit woonzorgcentrum zouden komen, maar ze stierf kort voordien. Ik heb veel gedronken, maar sinds ik hier ben, raak ik geen druppel meer aan.” 

Voor we afscheid nemen, zegt hij nog: “Schrijf maar op dat ik hier heel gelukkig ben. Ze dragen echt zorg voor ons.” 

In trialoog

Even voordien deden ook Isabel De Coessemaeker, directeur van het woonzorgcentrum Armonea Overbeke in Wetterenen en Emmanuel Stockman, directeur Quality bij Armonea, hun verhaal. Over C-Me, een nieuwe aanpak die de bewoner centraal stelt met een persoons-gerichte ervaring. Je zou het innovatief of vernieuwend kunnen noemen – en dat is het wellicht ook in de wereld van woonzorgcentra – maar eigenlijk zou het de normaalste zaak van de wereld moeten zijn. Alleen is het dat niet: door onze ietwat verouderde of bekrompen kijk op ouderen of door een tekort aan handen, vul zelf maar in.   

Emmanuel: “Persoonsgericht werken is inderdaad op zich niets nieuws. De kunst is om het in de praktijk te brengen. C-Me vloeit voort uit Armonea Experience, waarbij we via een aantal pijlers de bewoners een thuis en beleving wilden geven. Tijdens de coronacrisis was het opeens alle hens aan dek om de basisveiligheid van de bewoners te waarborgen. Nadien wilden we echt naar de essentie gaan om een persoonsgerichte aanpak (opnieuw) mogelijk te maken. Dit gaat breder dan zorg. We willen evolueren van woonzorgcentra naar woonleefhuizen met zorg. Het juiste taalgebruik is ongelooflijk belangrijk. Bejaarden of dementerenden, dat klinkt toch heel pijnlijk?” 

“Hoe doen we dat? Door te luisteren naar het levensverhaal van die bewoner en samen mét hen, hun familie en medewerkers – in trialoog dus – doelen te bepalen die elke zes maanden geëvalueerd worden. We hebben al veel info over onze bewoners via bestaande templates. Wat doet de bewoner graag? Wat betekent een fijne dag voor hem? Wat eet hij graag? Wat waren zijn interesses en gewoonten in het verleden en hoe kunnen we dit vandaag integreren? Welke activiteiten wil hij doen? De een wil graag eens naar de zee, de ander wil een voetbalmatch zien van AA Gent. Maar ook: hoe wil de bewoner liever niet benaderd worden? Simonne is geen fan van activiteiten, maar ze houdt enorm van dieren. In haar kamer staat een mand met krabpaal, zodat ze elke dag het gezelschap van haar poes heeft. Camilla is graag alleen, maar als naaister retoucheert ze kledij van onze medewerkers. Ze voelt zich fier dat ze zo het verschil kan maken en het stimuleert haar zelfredzaamheid. Je moet vooral heel goed luisteren naar je bewoners.” 

Hoe brengen ze die levensverhalen letterlijk in kaart? Emmanuel: “We wilden geen lijst van dertig pagina’s, want dat leest niemand. Met een one pager gaan we in gesprek met de familie en de bewoner. Dat start al bij het eerste contact en de eerste rondleiding. Elke nieuwe bewoner krijgt een peter en meter; een werknemer uit de zorg en een werknemer uit de ‘co-care’, een schoonmaker van de kamers of van de keuken. Zo maken we de verbinding met het hele huis. Zij verspreiden de info over de bewoner verder onder de collega’s. Zo leggen we ook het eigenaarschap bij onze medewerkers.”

“We willen evolueren van woonzorgcentra naar woonleefhuizen met zorg”
– 
Directeur Quality Emmanuel Stockman

“Meestal zijn het familieleden die het woord voeren tijdens het eerste opname-gesprek want de bewoner is vaak nog in het ziekenhuis of thuis”, vult Isabel aan. “Na de eerste zes weken zitten we opnieuw aan tafel, samen met de bewoner, de familie en de medewerkers, de arts, de peter en de meter.  Dan komt hun levensverhaal al vaak naar boven. In het zorgdossier wordt alle info netjes bijgehouden.” 

Visualiseren is beleven

Volgens Emmanuel kan je ook hun vroegere levenswandel een stukje integreren in de dagelijkse werking van het woonzorgcentrum (richt zich tot de journalist). “Jouw grootvader was taxichauffeur en ceremoniemeester. Misschien zou hij een rol kunnen gespeeld hebben in het begeleiden van andere bewoners naar een activiteit. Of een oud-postbode kan de post rondbrengen. Livien zet graag de kannetjes koffie op de tafel voor zijn medebewoners. Als je weet wat ze vroeger deden kan je zoveel gemakkelijker linken leggen in gesprekken. We visualiseren ook zeer veel. In de kamer van Livien zie je koerstruitjes, bekers, affiches en vele foto’s.”  

Armonea Overbeke heeft een mascotte, een merel die op elke verdieping van het woonzorgcentrum opdruikt met ludieke, korte boodschappen over de bewoners. Op het gelijkvloers bevindt zich de centrale ontmoetingsplaats voor familie en bewoners. We spotten een geschilderde boom op een van de muren. Op de boom plakken foto’s die de wensactiviteiten tonen van de bewoners: van een bezoekje naar zee over een ritje met de duofiets tot een spelletje petanque. “Het zijn geen zotte wensen die onze bewoners vragen”, weet Isabel. “Ze willen niet meteen uit een vliegtuig springen. Met de familie een keer gaan eten of eens naar het kerkhof gaan, dat soort zaken. Maar we zullen in de toekomst moeten
inspelen op de volgende generaties. Bingo als vrijetijdsbesteding gaat er uit, vrees ik. Ook qua maaltijden staan we voor een revolutie.” 

De eerste indruk telt

Een verhuis naar een woonzorgcentrum is heel ingrijpend. Emmanuel: “Nieuwe bewoners verlaten hun vertrouwde thuis, vaak met een eigen tuin of huisdieren. Ze laten hun hebben en houden achter en komen naar een ‘kamertje’ in een woonzorgcentrum. Net die perceptie willen we kenteren, zodat zowel familieleden, bewoners als medewerkers dit als een woning gaan zien. Om de gewenning vlotter te laten verlopen, is empathie cruciaal. Ook andere bewoners kunnen een rol spelen als ontvangstpersoon. Livien is zo iemand die ervoor zorgt dat mensen zich meteen thuis voelen. We spreken ook bewust niet over een ‘opname’ maar wel over een onthaal of verhuis.”

“Die allereerste dag is heel belangrijk”, vult Isabel aan. “Als nieuwe bewoners snel contact kunnen leggen met een mede-bewoner, zijn ze vertrokken. Uiteindelijk zijn het allemaal lotgenoten en vaak zijn ze hier niet uit vrije wil maar komen ze vanuit een ziekenhuis.”

Op de beschermde afdeling, waar mensen met (vergevorderde) dementie verblijven, is het nog belangrijker dat de familie sterk betrokken wordt. Isabel: “Bij een van onze bewoners met vergevorderde dementie hebben we nu drie keer per week telefonisch contact met de vier kinderen om de situatie te bespreken. Om de zes weken zitten we ook samen.” 

Hard werken voor warm resultaat

De C-Me aanpak wordt uitgerold in alle 73 woonzorgcentra van Armonea, in Vlaanderen en Wallonië. Isabel: “Door te begrijpen wat elke bewoner verlangt, kunnen we beter inspelen op hun behoeften en voorkeuren. Misschien wenst de ene persoon om 7.30 uur ‘s ochtends op te staan en het ontbijt op de kamer te gebruiken, terwijl een ander liever tot 9.00 uur wacht en in het restaurant ontbijt. We hebben een doorlopend ontbijt tot 9.30 uur. Sommigen zitten nog in badjas, anderen zijn al gewassen. Een persoonsgerichte aanpak die zo aanvoelt, is altijd het resultaat van veel communicatie en organisatie binnen de teams van elk huis, beklemtoont Emmanuel: “Die warme visie implemen-teren is wel werken, hè. Maar wanneer medewerkers een bewoner écht leren kennen en weten wat belangrijk is voor die persoon, kunnen we hem of haar een goede dag bezorgen. Omgekeerd brengt het ook rust en duidelijkheid en wordt het boeiender voor onze zorgkundigen. Omdat ze zich betrokken voelen, komen ze liever naar hun werk. Waarom kies je tenslotte voor de zorg? Om een verschil te maken voor de bewoner. In een woonzorgcentrum kan je echt een relatie uitbouwen met die bewoner.” 

Is het tekort aan medewerkers geen rem op zo’n persoonsgerichte aanpak? Isabel: “We kampen vooral met een tekort aan verpleegkundigen, zorgkundigen vinden we gelukkig voldoende.”

“Door te begrijpen wat elke bewoner verlangt, kunnen we beter inspelen op hun behoeften en voorkeuren” – Directeur Armonea Overbeke Isabel Coessemaeker

“Maar de tekorten die we vandaag zien in de zorg, dat is nog maar het topje van de ijsberg”, vult Emmanuel aan. “Projecties tonen aan dat het tot 2050 bijzonder moeilijk zal zijn door de dubbele vergrijzing en pensionering van de ‘babyboomers’. Maar laat ons alsjeblieft een genuanceerde beeldvorming brengen. Daarnaast zal technologische innovatie ervoor zorgen dat er meer ruimte vrijkomt voor die warm-menselijke zorg. We moeten de admini-stratieve overlast beperken zodat we meer tijd vrij krijgen voor echte zorg.” 

Emmanuel heeft nog één bedenking voor ieder van ons. “We denken te weinig na over die laatste levensfase wanneer alles nog goed loopt. Op een gegeven moment moet iedereen zich de vraag stellen: wat als mijn partner wegvalt, wat als mijn gezondheid achteruitgaat … Het kan geen kwaad om al op verkenningstocht te gaan. Als je een huis koopt, ga je toch ook niet over één nacht ijs?” 

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Wil je graag op de hoogte blijven van het laatste nieuws bij
Dag v/d Zorg? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief.


                                                         


Zorg is ambitieus

Zorgbedrijf Antwerpen gaat voluit voor
digitale transformatie

Met haar 49 dienstencentra, verschillende thuisdiensten, 5.500 serviceflats, 19 woonzorgcentra in de stad Antwerpen, een zorgwinkel, 12 centra voor jeugdzorg en verschillende samenwerkingen met andere organisaties, kan je niet anders dan Zorgbedrijf Antwerpen ambitieus noemen. Ruim 4.000 gemotiveerde medewerkers staan dag in dag uit klaar voor 20.000 cliënten. Een van hen is directeur Data, Digitale Transformatie & Procurement Dimitri De Rooze, die vanuit zijn departement volop inzet op vernieuwende oplossingen.

Het is geen nieuws dat data belangrijk is wanneer we bezig zijn met zorg en welzijn. Al denken we daarbij vooral aan zaken zoals leeftijd, lengte, gewicht, bloeddruk, hartslag … Bij Zorgbedrijf Antwerpen zetten ze daar meer dan één stapje verder in. “Doordat we een heel breed en divers zorgaanbod hebben, werken we met verschillende CRM-systemen”, licht Dimitri De Rooze toe. “Tot voor kort stonden die systemen volledig op zichzelf, waardoor we voor één gebruiker soms wel drie verschillende profielen hadden. We hadden dus nergens een duidelijk en uniform overzicht van onze klanten en hun gegevens. Als iemands adres bijvoorbeeld gewijzigd werd in het ene systeem, werd dat niet automatisch doorgegeven aan het andere. Dat zorgde voor heel wat problemen wanneer we mensen wilden bereiken.

Dit betekende ook dat zinvolle informatie over onze cliënten op diverse plekken werd bewaard. Stel nu dat eenzelfde persoon beroep doet op een poetshulp, de zorgwinkel en thuishulp van Zorg-bedrijf Antwerpen, dan werden observaties over die persoon op drie verschillende systemen opgeslagen en kregen we geen 360 graden overzicht. Dat kan nochtans een belangrijke rol spelen bij het vroegtijdig opsporen van bepaalde aandoeningen, maar het is ook gewoon fijn als elke hulp- of zorgverlener de cliënt zo goed mogelijk kan helpen door toegang te hebben tot de beschikbare en relevante gegevens. 

We wilden dus dat de informatie van onze klanten over de verschillende diensten heen beschikbaar is. Daarom hebben we met behulp van een gespecialiseerd bedrijf op slechts enkele weken tijd een dataplatform ontwikkeld waarin we de informatie uit al onze systemen samen brengen. Sindsdien zijn alle gegevens van één persoon op één centrale plek te raadplegen. Een wereld van verschil. Niet alleen voor ons trouwens, maar ook – en misschien zelfs vooral – voor onze cliënten. Zij moeten geen twintig keer dezelfde vragen beantwoorden, kunnen sneller geholpen worden bij problemen en krijgen via een digitaal platform toegang tot hun facturen, afspraken en persoonlijke gegevens. Win-win dus!”

Artificiële intelligentie

Na het samenvoegen van de klantendossiers diende zich al gauw een nieuw probleem aan: een overload aan informatie. Om het kaf van het koren te scheiden, werkt Zorgbedrijf Antwerpen met de intussen welbekende app ChatGPT, een chatbot die zichzelf traint om met behulp van artificiële intelligentie vragen te beantwoorden. “In onze cliëntendossiers wordt nogal wat proza geschreven”, lacht Dimitri. “Heel boeiend om te lezen, maar niet altijd to the point. Zeker niet als mensen al een hele tijd gebruik maken van onze diensten en de verschillende hulp- en zorgverleners die met hen werken er over de jaren heen tal van weetjes en observaties aan hebben toegevoegd. Vind daar nog maar eens iets in terug.

“We willen technologie inzetten om ervoor te zorgen dat medewerkers kunnen
bezig zijn met wat écht
belangrijk is: de zorg voor onze cliënten”

Wel, ChatGPT vindt daar ontzettend snel iets in terug. Neem nu dat een nieuwe huishoudhulp moet starten bij iemand die al klant is van ons, kunnen we aan de chatbot vragen met welke kleine attenties we die persoon plezier kunnen doen. Zo weten we in enkele seconden dat die dame bijvoorbeeld liefst meteen in haar pantoffels kan stappen als ze wakker wordt, of altijd twee zoetjes in haar koffie neemt. 

Dat zijn misschien kleine dingen, maar die maken wel het verschil. Het belangrijkste in zorg is voor mij de beleving. En dan heb ik het niet alleen over onze patiënten en cliënten, maar ook over onze medewerkers. Iedereen die in zorg en welzijn werkt, heeft handen en voeten tekort. Als we mensen hun werk makkelijker en efficiënter kunnen maken met behulp van digitalisering, dan vind ik het evident dat we daarop inzetten.

Lifestyle monitoring

Een ander domein waar de organisatie al enkele jaren op inzet, is lifestyle monitoring. “Zo’n acht jaar geleden was ik verantwoordelijk voor de oproepsystemen van Zorgbedrijf Antwerpen. Dat waren klassieke persoonlijke alarmsystemen die werkten met een of meer alarmknoppen op vaste locaties in huis, en een microfoon in een centraal terugspreektoestel waarmee iemand van de alarmcentrale kon checken of alles oké was”, vertelt Dimitri. 

“Ik ontdekte dat die alarmen in maar liefst veertig procent van de gevallen niet werkten zoals het hoorde. Technisch gezien waren er geen problemen, maar qua gebruiksvriendelijkheid liet het systeem behoorlijk te wensen over. Enerzijds kan iemand die zwaar ten valt komt en niet meer kan bewegen uiteraard niet op een alarmknop drukken. Anderzijds gebeurde het wel eens dat mensen er ongeluk met hun elleboog op de alarmknop naast hun wc drukten en bij een check in van de alarmcentrale niet reageerden omdat hun terug-spreektoestel in de woonkamer stond. Alle hens aan dek voor niets dus, en een cliënt die zich rot schrikt.

Om die problemen aan te pakken, ontwikkelden we in samenwerking met Senso2Me een volledig nieuw alarmsysteem op basis van sensoren, Vital. Stel dat iemand bijvoorbeeld elke ochtend stipt om acht uur koffie staat te maken, dan is het zorgwekkend wanneer die persoon om tien uur nog niet in de keuken is geweest. In zo’n geval krijgen wij daarvan een melding bij de alarmcentrale.

Bovendien kan het registeren van dergelijke patronen er ook voor zorgen dat we makkelijker bepaalde ziektebeelden kunnen opsporen. Zo sprak ik een tijdje geleden met een vriend die zich zorgen maakte om zijn moeder. Hij merkte wel dat er iets mis was, maar wist niet precies wat. Ik vertelde hem over Vital en we zijn het die dag nog gaan installeren. Aangezien de sensoren draadloos werken en te bevestigen zijn met dubbelzijdige tape, was dat klusje op tien minuten gepiept. Met toestemming van de vrouw kreeg haar zoon toegang tot het systeem en kon hij haar doen en laten volgen via de bijbehorende website. Ik belde hem enkele dagen later om te vragen of hij al doorhad wat er met zijn moeder scheelde, en wat bleek? De vrouw draaide dag en nacht om, wat uiteindelijk bleek te wijzen op beginnende dementie. 

 

 

“Het registeren van bepaalde patronen kan ervoor zorgen dat we sommige ziektebeelden makkelijker kunnen opsporen”

Intussen zetten we die sensoren ook op andere manieren in. Iedereen die ooit al eens in een ziekenhuis heeft gelegen, weet dat ze daar ’s nachts geregeld komen controleren of alles in orde is. Dat gebeurt ook in woonzorgcentra. Ik begrijp waarom dat gebeurt, maar ik moet je niet vertellen dat de beleving daarvan niet erg positief is. Bij Zorgbedrijf Antwerpen hebben we die nachtelijke controles vervangen door sensoren. Zo weten we wanneer bewoners die eigenlijk niet meer zelfstandig kunnen stappen toch alleen uit hun bed proberen komen, of wanneer iemand verdacht lang op het toilet zit.” 

Technologie vervangt niet maar vult aan

Heel wat mensen zijn bang dat ze op de werkvloer vervangen zullen worden door robots of artificiële intelligentie. Daar hoeven de medewerkers van Zorgbedrijf Antwerpen zich alvast geen zorgen over te maken. “Het is niet onze bedoeling om op deze manier te besparen op medewerkers, maar om ervoor te zorgen dat zij kunnen bezig zijn met wat écht belangrijk is: de zorg voor onze cliënten”, legt Dimitri uit.

“Een heel simpel voorbeeld: sommige medicatie moet op een heel stabiele temperatuur worden bewaard. Om er zeker van te zijn dat de koelkast correct werkte, moest iemand daar elke dag een thermo-meter in leggen, die vervolgens controleren en de temperatuur noteren. Daar ben je elke dag dus best wel wat tijd mee kwijt. Nu zitten de sensoren waar ik het eerder over had ook in onze medicijnen-koelkasten. We kunnen op elk moment van de dag, eender waar, de temperatuur ervan checken en krijgen een melding wanneer die teveel afwijkt. Geweldig, toch?

Het zijn dit soort ingrepen die ervoor zorgen dat we in plaats daarvan kunnen bezig zijn met de beleving van onze patiënten. Ook daar heb ik een prachtig voorbeeld van. In een van onze woonzorgcentra woonde een vrouw van 102. Ze was nog goed bij de pinken, maar kon niet meer uit haar bed. Ze vertelde me dat ze er haar hele leven van gedroomd had om eens naar Parijs te gaan, maar dat het nu te laat was. 

Dat verhaal bleef maar door mijn hoofd spoken, tot ik op een idee kwam. Ik heb de VR-bril van mijn zoon geleend, een 3D-visualisatie van Parijs opgezocht en twee croissants gekocht bij de bakker. Nadat ik de croissants onder haar neus zette, heb ik die vrouw een uur virtueel door Parijs laten wandelen. Ze vertelt daar nog steeds over. ‘De dag van mijn leven’, noemde ze het zelf. En dan denk ik: laat ons die technologie omarmen. Het kan zoveel schoonheid met zich meebrengen als we het op een verstandige manier gebruiken.”

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Wil je graag op de hoogte blijven van het laatste nieuws bij
Dag v/d Zorg? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief.


                                                         


Zorg is inteam

“We willen dat bewoners én medewerkers
zich hier thuis voelen”

Het welzijn van hun medewerkers en hun bewoners. Dát staat bij Woonzorggroep GVO centraal in alles wat ze doen. Naar aanleiding van Dag van de Zorg gaan we in gesprek over hun visie en hoe zij hun woonzorgcentra een huiselijk karakter geven. “Onze medewerkers zorgen voor de ouderen, en wij zorgen voor onze collega’s.” Eén groot hecht team, dus. 

Samen sterk voor warme zorg

Het is volop zomer wanneer we afspreken met Nele Breyne en Inge Bultinck, respectievelijk stafmedewerker communicatie en hr-directeur bij Woonzorggroep GVO. GVO verenigt tien woonzorgcentra verspreid over West-Vlaanderen. Terwijl elk woonzorgcentrum haar eigen operationele werking en lokale autonomie behoudt, delen ze een overkoepelende strategie en visie. En die gedeelde visie is net de kracht van de groep. 

“GVO heeft een duidelijke visie wanneer het gaat over innovatie en welzijn in de zorgsector”, steekt hr-directeur Inge van wal. “De warme en huiselijke omgeving die we creëren in onze woonzorgcentra is zowel belangrijk voor onze bewoners als voor onze medewerkers. Daarom spreken wij ook altijd over onze ‘huizen’ in plaats van over woonzorgcentra.”

Uitdagingen

Hoewel die visie duidelijk is, brengt de ouderenzorg natuurlijk heel wat uitdagingen­ met zich mee. “Dat beseffen we maar al te goed”, gaat Inge verder. “Het is belangrijker dan ooit om aandacht te hebben voor het welzijn van onze medewerkers, want we willen koste wat het kost uitval en verloop vermijden. Zo proberen we bijvoorbeeld door middel van duidelijke planning en persoonlijke ondersteuning onze huidige medewerkers te behouden én nieuwe medewerkers aan te trekken. Ook willen we leiderschap stimuleren bij iedereen, niet enkel bij onze leiding­gevenden. Via referentierollen moedigen we horizontale groei aan en willen we dat alle medewerkers bijdragen aan het welzijn van onze bewoners. En dat doen we niet alleen. Zo zetten we bijvoorbeeld samen met Liantis in op het psychosociaal welzijn van onze medewerkers. Samen met de externe preventie­adviseur bieden we de nodige ondersteuning, zeker preventief.”

“Net als in een wielerploeg werken we samen met veel mensen in verschillende functies om te zorgen voor de kopmannen en kopvrouwen, onze bewoners” – Stafmedewerker communicatie Nele Breyne

Het Zorgpeloton

Bovendien staat GVO niet stil en blijven ze inzetten op innovatie. Ze doen er alles aan om de zorg voor hun bewoners voort­durend te verbeteren en de werkplek voor de vele collega’s te optimaliseren. Een van die ­innoverende projecten is Het Zorg­peloton. “Het Zorgpeloton is de naam van ons werkgeversmerk, dat we in 2022 ontwikkelden in samenwerking met het marketingbureau d-artagnan. Zo willen we onze organisatie als aantrekkelijke werkgever in de markt zetten om nieuwe medewerkers aan te trekken. Daarnaast willen we ook voor verbinding en teamgevoel zorgen bij onze huidige medewerkers, aldus Nele.

Het Zorgpeloton legt de link tussen de zorg in hun huizen en de wielersport. “Net als in een wielerploeg werken we samen met veel mensen in verschillende functies om te zorgen voor de kopmannen en kopvrouwen, onze bewoners. En dit gaat veel verder dan slechts één huis. Het wordt gedragen door de hele organisatie met al haar werknemers en bewoners. Onze medewerkers zorgen voor de ouderen, en wij zorgen voor onze collega’s. We haalden met dit initiatief trouwens de prijs voor ‘Mooiste branding’ binnen tijdens het gala van ‘Zorgwerkgever van het jaar’, georganiseerd door ZORG Magazine”, zegt Nele enthousiast.  

“Het is belangrijker dan ooit om aandacht te hebben voor het welzijn van onze medewerkers” – hr-directeur Inge Bultinck

Dag van de Zorg: een hefboom 

Ook voor Woonzorggroep GVO wordt Dag van de Zorg opnieuw een uitgelezen moment om de deuren van hun huizen open te zetten voor het brede publiek. 

“We geven de vrijheid aan elk huis om al dan niet deel te nemen”, vertelt Nele. “Maar uit het verleden weten we wel dat huizen die intekenen dit enorm positief ervaren. Dag van de Zorg zorgt ervoor dat we niet alleen ons standaard doelpubliek bereiken, maar dat we ook de lokale gemeenschap kunnen betrekken in wat we doen. Van buurt­bewoners en sympathisanten tot geïnteresseerden in bijvoorbeeld assistentie­woningen. Die laatste vallen buiten de traditionele woonzorgcentra maar zijn daarom niet minder belangrijk om eens te tonen. We roepen dus iedereen op om zeker met onze organisatie kennis te maken op Dag van de Zorg!”

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Wil je graag op de hoogte blijven van het laatste nieuws bij
Dag v/d Zorg? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief.


                                                         


Zorg is inclusief

Bij de Brusselse kinderopvang Elmer is
élk kind welkom

Door te investeren in laagdrempelige en kwalitatieve kinderopvang waar ieder kind welkom is, wil Elmer het welzijn, de maatschappelijke kansen en de participatie van Brusselse gezinnen verhogen. Om dat te realiseren, hecht de vzw veel belang aan diversiteit en het geloof in de positieve groeikansen van elk individu. Vanuit die visie kiest Elmer er ook bewust voor om extra aandacht te besteden aan kinderen met een specifieke zorgbehoefte. InMotion sprak met inclusiecoach Sonja Cassiman.

Haar naam ontleent de vzw aan het bekende olifantje uit de prentenboeken van David McKee. Elmer is een unieke gevlekte olifant die veel liever grijs zou zijn, net als alle andere olifanten. Gaandeweg ontdekt hij dat het ook fijn kan zijn om anders te zijn. Deze naam werd niet toevallig gekozen, want de kinderdagverblijven van Elmer zijn – net als het figuurtje van McKee – veelkleurig en divers. 

“Er is niet één specifieke reden waarom we zo bewust inzetten op inclusie”, vertelt Sonja Cassiman, die als inclusiecoach de vier opvanglocaties ondersteunt bij hun inclusieve werking. “Enerzijds brengt deze manier van werken veel kansen en mogelijkheden met zich mee, anderzijds vinden we het vanuit onze visie een evidentie om ook kansen te bieden aan kinderen met specifieke zorgnoden. Ons doelpubliek is zeer divers, het zou vreemd zijn om een groep die het net heel hard nodig heeft daar niet in op te nemen. Bovendien zien we het niet alleen als een verrijking voor hen, maar als een verrijking voor de hele werking. Want een goede basiskwaliteit is een voorwaarde om aan inclusieve kinder-opvang te doen. 

Daarnaast werken we heel wijkgebonden. Elmer heeft vestigingen in Schaarbeek, Anderlecht, Molenbeek en Stad Brussel. We zitten dus verspreid over het hele gewest, waardoor ouders van kinderen met specifieke zorgbehoeften geen ellenlange afstanden moeten afleggen om een geschikte opvang te vinden. Deze gezinnen staan sowieso al onder extra stress omdat ze vaak veel medische afspraken hebben, omdat ze bezorgd zijn over de toekomst van hun kind, omdat de zorg thuis ook heel wat van hen vraagt … Bovendien zorgen we er op deze manier voor dat zij een netwerk in hun eigen buurt kunnen uitbouwen. Ook daar helpen we hen bij.”

De kracht van kinderen

“Kinderen leren ontzettend veel van elkaar, of ze nu wel of geen extra zorgbehoeften hebben. Daar zit volgens mij een enorme kracht in. Ik denk dat wij, de volwassenen van vandaag, ons vaak wat ongemakkelijk voelen en niet goed weten hoe we ons moeten gedragen wanneer we geconfronteerd worden met iemand die – op eender welke manier – afwijkt van de norm. We weten niet goed of we net wel of net niet moeten kijken, of en hoe we vragen moeten en mogen stellen over iemands beperking … 

Door inclusief te werken, zorgen we ervoor dat heel wat Brusselse kinderen van jongs af aan opgroeien met deze groep. En dat is natuurlijk het mooie van jonge kinderen, want zij maken geen onderscheid tussen kinderen met en zonder specifieke zorg-noden. Zij zorgen allemaal voor elkaar en doen dat automatisch. Als we bijvoorbeeld kinderen in de leefgroep hebben die zich niet zelfstandig kunnen verplaatsen, brengen anderen uit zichzelf speelgoed naar hen om er vervolgens samen mee te spelen. Het is enorm mooi om te zien wat die interacties teweegbrengen.”

Centrum voor Inclusie

Als inclusiecoach begeleidt Sonja niet alleen de kinderdagverblijven van Elmer zelf, maar ook andere Brusselse kinderdagverblijven en buitenschoolse opvanginitiatieven die kinderen met specifieke ondersteuningsbehoeften opvangen. Naast haar rol als buurtwerking, fungeert Elmer immers ook als Centrum voor Inclusieve Kinderopvang (CIK). Vlaanderen en Brussel tellen in totaal zestien CIK’s die binnen hun regio zelf kinderen opvangen, gezinnen in contact brengen met externe zorgaanbieders en ondersteuning bieden aan opvangvoorzieningen die een of meer kinderen met specifieke zorgen (willen) opvangen.

“Mijn collega Morgane, die pedagogisch begeleider inclusie is, en ik staan in voor de ondersteuning van de Brusselse regio, die ruim honderd Nederlandstalige kinderdagverblijven en een achttal initiatieven voor buitenschoolse opvang telt. Daarvan kiezen er vandaag zeker 35 voor om heel bewust open te staan voor inclusieve opvang. Naast gerichte ondersteuning op vraag van de opvangvoorzieningen zelf, proberen we eigenlijk alle Brussel opvanginitiatieven te sensibiliseren en warm te maken voor de opvang van kinderen met specifieke zorgnoden”, legt Sonja uit.

“Dat is zeker niet evident, want het is algemeen geweten dat onze sector kampt met heel wat personeelstekort. Hoewel inclusieve opvang heel wat kansen met zich meebrengt, zorgt het natuurlijk ook voor uitdagingen en vraagt het extra inzet van de begeleiders. Ik begrijp dan ook dat sommige kinderopvang-initiatieven vandaag de dag niet in dat inclusieve verhaal willen stappen uit angst dat het een negatieve impact zou hebben op hun werking. 

Daar speelt Morgane ook een belangrijke rol in: als pedagogisch begeleider staat zij af en toe mee op de werkvloer. Op die manier ziet en hoort ze de besognes van medewerkers in de opvang en kan ze daar ook meteen op inspelen. We zoeken steeds samen met de opvang naar de meest gepaste oplossingen en methodieken. Er is heel wat beschikbaar, maar als je daar niet in thuis bent, zie je door de bomen het bos niet meer.”

“Kinderen leren ontzettend veel van elkaar, of ze nu wel
of geen extra zorgbehoeften hebben”

Niet enkel binnen de opvang

“Ook voor ouders van kinderen met specifieke zorgnoden is het niet altijd even makkelijk om te weten welke hulp er zoal beschikbaar is en waar ze die kunnen vinden. Hen proberen we eveneens te begeleiden bij het vinden van de beste ondersteuning voor hun kind. Zo brengen we hen indien nodig in contact met externe zorg-verstrekkers zoals een thuisbegeleidingsdienst, een logopedist, een kinesist, een psycholoog of psychiater … Daarbij kijken we niet alleen naar de noden van het kind zelf, maar ook naar die van de ouders of eventuele broertjes en zusjes. 

Bij kinderen met extra zorgbehoeften zijn we ook heel flexibel in de leeftijd waarop ze de opvang moeten verlaten. Waar andere kinderen ten laatste wanneer ze drie worden naar school moeten, bieden we hen de kans om nog wat verder te groeien alvorens ze de overstap maken. We zien vaak dat kinderen die als baby veel gezondheids-problemen en ziekenhuisopnames hadden, openbloeien rond de leeftijd van twee à drie jaar. Zij ontwikkelden zich tot dan vaak wat trager, dus zou het vreemd zijn om te verwachten dat zij plots een gigantische inhaalbeweging gaan maken. 

Vaak kunnen we de overstap naar de kleuterklas voor hen een stuk makkelijker maken door hen pakweg enkele maanden langer naar de kinderopvang te laten komen. Het lijkt me dan ook niet meer dan logisch dat we die optie openhouden als we er zo voor zorgen dat een kind sterker in zijn schoenen staat en zich beter in zijn vel voelt op school. Daarnaast hebben we ook kinderen met zwaardere zorgbehoeften die uiteindelijk doorstromen naar het buiten-gewoon basisonderwijs. Daar zijn de wachtlijsten vaak lang en de plaatsen beperkt. Als we kunnen vermijden dat een kind een jaar lang thuis moet zitten omdat er nog geen plek is op school, dan doen we dat.”

De onmisbare rol van KINDERBEGELEIDERS

“Ook wanneer er een vermoeden is dat een kind baat zou hebben bij extra ondersteuning, proberen we te helpen. Soms komen ouders daar zelf mee naar ons, maar vaak zijn het de kinderbegeleiders die zoiets het eerst opmerken. Dat is niet zo vreemd, want zij hebben veel ervaring, zorgen dag in dag uit voor kinderen van dezelfde leeftijd en kennen ‘hun’ kinderen uiteraard bijzonder goed. Het is niet zo dat we dan meteen een diagnose op een kind gaan plakken; we willen vooral kijken hoe en waar we hen – al dan niet tijdelijk – extra kunnen ondersteunen. In sommige gevallen blijkt later dat een kind inderdaad een onderliggende problematiek heeft, maar in veel gevallen volstaan kleine, korte ingrepen. Net door tijdig in te grijpen, kunnen we in heel wat situaties zwaardere interventies voorkomen.

Voor begeleiders is het ook niet altijd vanzelfsprekend om een kind met extra zorgnoden op te vangen. Vooral medewerkers die pas gestart zijn, vinden dat best wel spannend. Ze voelen zich vaak onzeker en zijn bang dat ze het kind niet kunnen bieden wat het nodig heeft. Die onzekerheid proberen we een stukje weg te nemen door elke nieuwe begeleider een korte opleiding rond inclusie te geven en door het team telkens zo goed mogelijk voor te bereiden wanneer er een nieuw kind met een specifieke zorgbehoefte naar de opvang komt. 

Ook wanneer een kind gestart is in de opvang, blijven we natuurlijk beschikbaar voor alle (hulp)vragen van begeleiders en zijn er regelmatige overlegmomenten met hen, de pedagogisch teamverantwoorde-lijken en de vestigingsverantwoordelijken. Op die manier is iedereen steeds op de hoogte en kunnen we elke betrokkene zo goed mogelijk ondersteunen.”

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Wil je graag op de hoogte blijven van het laatste nieuws bij
Dag v/d Zorg? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief.


                                                         


Zorg is geïntegreerd

Samenwerking en verbinding met de buurt
als basis voor geïntegreerde zorg

Het West-Vlaamse Psychiatrisch Centrum Sint-Amandus streeft ernaar om zorg zoveel mogelijk geïntegreerd in de samenleving te laten verlopen. Vooral in hun drie psychiatrische verzorgingstehuizen willen ze mensen met een langdurige psychiatrische problematiek stimuleren om (opnieuw) hun plek te vinden in de maatschappij. Adjunct-directeur Zorg en PVT-coördinator Lien Decorte vertelt samen met inhoudelijk coördinator van de Beernemse PVT’s Cedric Reculé hoe en waarom de organisatie hier zo sterk op inzet.

Het Psychiatrisch Centrum (PC) Sint-Amandus biedt mensen met een psychische kwetsbaarheid een gepersonaliseerde behandeling en ondersteuning aan. In haar psychiatrische verzorgingstehuizen (PVT) wil de organisatie mensen die niet langer behandeld worden zoveel mogelijk laten deelnemen aan het maatschappelijke leven van de buurt waarin ze wonen. “Onze verzorgingstehuizen bieden mensen met een langdurige psychiatrische problematiek een familiale en gezellige woonomgeving aan. We zorgen voor een wooncontext met de focus op kracht-gerichte herstelondersteuning”, legt Lien Decorte, adjunct-directeur Zorg en algemeen coördinator van de PVT’s, uit. “Daarbij zien we oprechte samenwerking en verbinding met de naaste omgeving en externe partners als een essentiële voorwaarde. De manier waarop we inzetten op die connectie, hangt niet alleen af van de bewoner maar ook van de buurt waar iemand zijn leven doorbrengt.

Zo ligt onze Torhoutse campus midden in het stadscentrum. We leggen daar dan ook vooral contacten met lokale dienstencentra, scholen, handelaren … om een zinvolle dagbesteding te vinden voor onze bewoners, in te zetten op ontmoeting en elkaar de hand te kunnen reiken. In de zoektocht naar een manier om onze tuin op regelmatige basis te onderhouden, zijn we aan het bekijken of we daarvoor een samenwerking kunnen aangaan met het Vrij Land- en Tuinbouwinstituut hier in de buurt. Zo zouden zij bij ons het gras kunnen komen maaien en de struiken snoeien, terwijl wij samen met de bewoners een pannenkoekenverkoop zouden kunnen organiseren ten voordele van de school.”

“Waar een psychiatrisch verzorgingstehuis vroeger vaak gezien werd als een eindstation voor mensen met een chronische psychiatrische problematiek,
is dat vandaag niet langer voor elke bewoner het geval” –
Inhoudelijk coördinator Cedric Reculé

“Onze campus in Beernem situeert zich dan weer in een heel groene en bosrijke omgeving”, voegt Cedric Reculé, die verantwoordelijk is voor de inhoudelijke coördinatie van de twee PVT’s op deze campus, toe. “Maar dat wil uiteraard niet zeggen dat we geen verbinding kunnen maken met de buurt. Zo is er het Arbeidszorgcentrum De Klus, een iets meer beschermende werkomgeving waarbij onze bewoners aan de slag kunnen met hun talenten. Daarnaast nemen we ook deel aan ‘Zorg voor bossen’, een proefproject waarmee West-Vlaamse bosgroepen samen met enkele partners – waaronder Sint-Amandus – bomen laten aanplanten en beheren door kwetsbare zorggebruikers en leerlingen uit het buitengewoon onderwijs. Op die manier dragen onze bewoners bij aan de biodiversiteit en zorgen ze ervoor dat bossen sterker staan tegen klimaatverandering.”

Connectie leidt tot acceptatie

“Het psychiatrisch ziekenhuis van Sint-Amandus bevindt zich ook op de Beernemse campus. Hoewel onze bewoners dus niet langer actief behandeld worden, blijft het ziekenhuis wel een zeer grote en belangrijke partner voor de PTV’s. Zeker binnen het kader van geïntegreerde zorg ondersteunen we elkaar op vlak van crisisbeleid en tijdelijke opvang bij ontregeling”, gaat Lien verder. “Ons publiek is de laatste jaren ook zichtbaar veranderd. Net door de vermaatschappelijking van de zorg en steeds kortere opnames, zijn mensen die terechtkomen in onze verzorgingstehuizen vaak minder stabiel. Daarom werken we veel nauwer samen met het psychiatrisch centrum.”

“Dat doen we niet alleen voor therapeu-tische hulp trouwens, want enkele van onze bewoners nemen ook een actieve vrijwilligersrol op binnen de brede werking van PC Sint-Amandus. Zo kunnen patiënten van de verschillende ziekenhuisafdelingen hippotherapie volgen op het domein zelf. Verschillende van onze bewoners zorgen ervoor dat de stallen schoon blijven en dragen zo dus hun steentje bij aan de therapeutische zorg voor anderen. Anderen helpen dan weer mee in de cafetaria of bij het opknappen en schilderen van kamers”, vult Cedric aan. “Het gaat ons niet louter over het feit dat ze hun dag gevuld krijgen, maar vooral om wat dat met hen doet. Door hun sterktes te herkennen én erkennen en hen op basis daarvan een waardevolle rol en eigen verantwoordelijkheden toe te kennen, voelen ze zich echt deel van de gemeenschap.”

“Die gemeenschap ziet dat op haar beurt ook en neemt hen op in de maatschappij”, zegt Lien. “Zo werken we terzelfdertijd aan de aanvaarding van mensen met een psychiatrische problematiek en doorbreken we stereotypes. In een niet zo ver verleden werden deze mensen immers geïsoleerd in een voorziening, liefst volledig onttrokken aan het zicht van de samenleving. Buurtbewoners liepen meestal met een zo groot mogelijke boog rond psychiatrische centra. 

Vandaag staan we gelukkig al veel verder, maar dat betekent niet dat er geen werk meer aan de winkel is. We willen echt weg van het idee dat mensen die anders zijn er per definitie niet bij kunnen of mogen horen. Het is noch voor onze bewoners noch voor de maatschappij zelf zinvol om hen uit te sluiten. En eigenlijk doet dat er zelfs niet toe, want zij hebben net zoveel bestaansrecht als wij allemaal. Iedereen is deel van de maatschappij en verdient er zijn eigen plek. Voor sommige mensen is het iets harder zoeken naar dat plekje en vergt het meer energie om dat zo goed mogelijk uit te bouwen en in te richten. Maar uiteindelijk vinden we voor de meesten van hen wel een plekje dat past.”

Herstelondersteunende zorg als rode draad

“Het is ook daarom dat we zo fel bezig zijn met die herstelondersteunende zorg. We proberen dat echt te belichamen”, gaat Lien verder. “We zien de kamers van onze bewoners echt als hun woning. Wij komen daar niet ongevraagd binnen want zijn er te gast. Dat wil niet zeggen dat alles kan en alles mag; we hebben uiteraard afspraken en zorgen met maximale inspraak van de bewoner zelf mee voor een aangenaam, huiselijk en sfeervol leefklimaat. Op deze manier laten we mensen zoveel mogelijk in hun waarde en tonen we respect voor hun eigenheid. Dat doen we ook door naar hen te luisteren in plaats van dingen boven hun hoofd te beslissen. Bij bijvoorbeeld kanker- of hartpatiënten luisteren we ook naar hoe zij hun leven tijdens en na hun behandeling willen invullen. Het lijkt ons dan ook niet meer dan normaal dat we dat ook doen bij psychiatrische patiënten.

“We willen echt weg van het idee dat mensen die anders zijn er per definitie niet bij kunnen of mogen horen” – Adjunct-directeur Zorg en PVT-coördinator Lien Decorte

Onze bewoners hebben evengoed noden, dromen, wensen en verlangens waarin we hen zo goed mogelijk proberen begeleiden en ondersteunen. Soms is hun wens simpelweg om de dingen te behouden zoals ze zijn. En dan moeten we dat ook accepteren, vind ik. Daar kunnen we volgens mij wel nog in groeien als organisatie, want we gaan er te vaak vanuit dat mensen altijd verder willen evolueren. Maar veel van de mensen die bij ons terechtkomen hebben al een heel pad afgelegd en voelen misschien voor het eerst in hun leven rust. Dat kan je alleen maar respecteren.”

“Waar het PVT vroeger vaak gezien werd als een eindstation voor mensen met een chronische psychiatrische problematiek, is dat vandaag niet langer voor elke bewoner het geval”, vervolgt Cedric. “Zo stromen sommige bewoners vroeg of laat door naar beschut wonen. In dat kader werken we intensief samen met Covias, een zorgactor die zich richt op een mobiel aanbod geestelijke gezondheidszorg in de thuisomgeving en maatschappij. Met hen gaan we op zoek naar de meest optimale ondersteuning voor een bewoner. Is er nog een mogelijkheid tot zelfstandig wonen? In welke mate kan deze persoon voor zichzelf zorgen? Welke ondersteuning moeten we hen daarbij bieden? Kan thuiszorg een oplossing zijn? Dat zijn maar enkele van de vragen waarop we een antwoord willen hebben alvorens we iemand laten doorstromen naar een initiatief voor beschut wonen. We willen immers vermijden dat mensen achteruitgaan omdat we hen te snel loslieten en uiteindelijk opnieuw van nul moeten beginnen.

“Als we uiteindelijk besluiten dat mensen kunnen doorstromen, doen we daarbij ook vaak beroep op een van de mobiele teams waar we samen met een aantal andere zorgactoren uit de GGZ-regio Noord-West-Vlaanderen over beschikken. Zij ondersteunen mensen met een psychiatrische kwetsbaarheid in hun thuissituatie. We overleggen ook op geregelde basis met de andere West-Vlaamse PVT’s. Zo kunnen we onze zorg op elkaar afstemmen en vermijden we dat er grote kwaliteits-verschillen ontstaan tussen de diverse verzorgingstehuizen. We kiezen er dus bewust voor om ook daar te werken als partners en in te zetten op verbinding. Dat geldt trouwens ook voor de politiediensten, het gerecht en de algemene ziekenhuizen in de buurt. Het is niet meer dan logisch dat we zelf het goede voorbeeld geven, toch?”, besluit Lien.

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Wil je graag op de hoogte blijven van het laatste nieuws bij
Dag v/d Zorg? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief.


                                                         


Zorg is preventief

Preventie is nu een vaste waarde
binnen ons aanbod”

Preventie is geen nakomertje meer in de gezondheidszorg. Het wordt cruciaal om de gezondheidsfactuur te verminderen op lange termijn. In Wijkgezondheidscentrum Lokeren staat preventie hoog op de agenda. “Dankzij onze multidisciplinaire aanpak sijpelt gezondheidspromotie in al onze disciplines door”, vertelt voedingsdeskundige Kim. 

“Lust je een stuk fruit?”, vraagt Kim, nadat ze met een duo bananen en enkele appels poseerde voor onze fotograaf. “Tweemaal per week wordt er een mand geleverd voor onze medewerkers”, vertelt ze. Kim Den Blauwen-Van Driessche werkt sinds juni 2011 in het Wijkgezondheidscentrum Lokeren als diëtiste en diabeteseducator. Ze studeerde in 2006 af als voedings-deskundige aan Hogeschool Gent en werkte eerst in UZ Gent. “Nadien verhuisde ik naar hier en  kreeg ik enkele jaren geleden het voorstel om het luik gezondheidspromotie uit te bouwen. Als diëtiste ligt preventie me nauw aan het hart. Er zijn natuurlijk vaak al ziektebeelden aanwezig, zoals obesitas en diabetes, wanneer dokters patiënten doorsturen naar een diëtist. Met algemene gezondheidspromotie willen we onze patiënten helpen om hun eigen gezondheid aan te pakken, zowel op fysiek als mentaal vlak, waardoor hun gezondheidsvaardig-heden verbeteren en we bepaalde klachten en ziektes kunnen voorkomen.”

Samen aan preventie doen

In een wijkgezondheidscentrum wordt multidisciplinair gewerkt. “Vooral dat aspect sprak me aan om hier te starten. De huisarts verwijst door naar de verpleeg-kundige, diëtist, psycholoog of sociaal werker. Ik werk heel graag in team. Er zijn ook vaste momenten waarop we samen overleg plegen. Daarnaast neem ik ook deel aan een werkgroep die driemaal per jaar samenkomt met voedingsdeskundigen uit alle Vlaamse en Brusselse wijkgezondheidscentra. Dan delen we onze ervaringen.” 

Met gezondheidspromotie willen we onze patiënten helpen om hun eigen gezondheid aan te pakken, zowel op fysiek als mentaal vlak, waardoor hun gezondheids­vaardigheden verbeteren en we klachten en ziektes kunnen voorkomen

Jaarlijks wordt er in het Wijkgezondheidscentrum Lokeren een preventieplan opgesteld. “We houden natuurlijk rekening met de nationale preventieplanning, de vaccinstrategieën en de bevolkingsonderzoeken. Onze huisartsen besteden veel aandacht aan preventie rond borstkanker-, darmkanker- en baarmoederhalskanker-onderzoek. Onze gezondheidscoördinator brengt de risicogroepen in kaart. Preventie is cruciaal; denk aan de gratis stoelgangtest tegen dikkedarmkanker, waardoor op lange termijn de gezondheidsfactuur daalt. Als de patiënt niet deelneemt aan zo’n bevolkings-onderzoek is, gaan we tijdens onze consultaties het onderwerp bespreekbaar maken, want soms is er schroom. De grote meerwaarde van onze multidisciplinaire aanpak is dat er tijd wordt gevonden bij de andere disciplines om er aan mee te helpen.” 

In Lokeren schenken ze veel aandacht aan diabetes (en voeding), veerkracht en psychische zorg. Kim: “Tijdens mijn consultaties geef ik ook aandacht aan een goede nachtrust. Een goede nachtrust heeft niet enkel impact op ons hongergevoel maar ook en vooral op ons algemeen welzijn. Ik vraag om een voedings- en slaapdagboekje bij te houden, dat vergroot de bewust-wording enorm. In elk zorgberoep moet je volgens mij ‘slaap’ meenemen. Een kinesist kan bijvoorbeeld inspelen op relaxatie, ademhalingsoefeningen en zelfzorg. ”

Voedingsadvies op maat tijdens ramadan

In een wijkgezondheidscentrum hebben heel wat patiënten een migratieachtergrond. In Lokeren komen ze vooral uit Turkije, Marokko, Syrië, een rist Afrikaanse landen, Oekraïne, etc. Dat vergt een specifieke aanpak. “Intern schenken we tijdens de ramadan extra aandacht aan voeding (tijdens de ramadan mogen moslims niet eten van zonsopgang tot zonsondergang, red.). Er zijn sowieso cultureel gebonden zaken waar we rekening moeten mee houden. Maar ongeacht de religie of culturele achtergrond werk ik altijd individueel. Ik kijk wie er voor mij als persoon zit en welke gewoontes ze thuis hebben. Je moet oppassen met veralgemeningen over Vlamingen, Turken, enz. Ik vraag steeds hoe de traditionele keuken is, welke maaltijden ze bereiden. Ik doe wel wat meer onderzoek naar maaltijd-componenten, bereidingen en afkomst van voedingsmiddelen bij andere culturen. Ik geef ook advies hoe een klassiek recept binnen hun cultuur kan aangepast worden. Dan adviseer ik om het extra brood bij een warme maaltijd te vervangen door meer groenten of de vetstoffen minder rijkelijk te maken. Turkse en Marokkaanse koks gebruiken veel honing en siropen. Het is niet zo dat je automatisch diabetes ontwikkelt als je meer suikers eet, maar we willen natuurlijk het gebruik van de snelle suikers afremmen. Er zijn ook patiënten die met mij meedenken over alternatieven voor een bestaand recept.” 

“Tijdens de ramadan proberen we onze patiënten zo goed mogelijk te begeleiden en uit te leggen – via brochures, tips op Facebook en persoonlijk advies – waarom vasten op bepaalde momenten niet goed is en hoe ze ’s avonds de maaltijden licht houden door de portie koolhydraten of vlees niet te groot te maken. We adviseren ook om de dag steeds met een ontbijt te starten en genoeg water te drinken, zodat ze voldoende energie hebben om de nieuwe dag te beginnen.”

Volgens de Koran hoeven zieke mensen niet deel te nemen aan de Ramadan. “Als ze dat toch willen doen, gaan we in dialoog met onze patiënten en geven we hun meer uitleg over de nadelen voor hun gezondheid, weet Kim. “Ik probeer dan ook, samen met de huisarts, de medicatie aan te passen indien ze toch deelnemen.” 

Van dieet tot levenswijze

Als diabeteseducator volgt Kim ook een protocol waarbij patiënten om de drie maanden een bloedcontrole hebben. “We bellen de patiënten op als het controle-bezoek te lang geleden plaatsvond. Preventie primeert, of het nu om voeding of diabetes gaat. Ik zou graag het woord dieet vervangen door levenswijze. Diëtisten zijn voedingsdeskundigen. Zo geven we ook suggesties om de inhoud van de brooddoos zo gezond mogelijk te maken: meer groentjes, meer volkorenproducten, meer fruit, meer vegetarisch beleg en minder bewerkte voeding. Vaak is ongezonde voeding goedkoper, wat het voor ons doelpubliek moeilijk maakt. Heel wat patiënten moeten met een beperkt budget per week boodschappen doen. Door enkele tips toe te passen zoals seizoensgebonden groenten en fruit aan te kopen, worden de boodschappen terug wat goedkoper.”

“We proberen mensen steeds heel concrete tips mee te geven
en minder hard te focussen op de theorie”

Ook emoties kan je niet loskoppelen van voeding. “Het is belangrijk om te weten wat een persoon heeft meegemaakt, want ook dat kan een impact hebben op je leefgewoonten. Zeker bij obesitas zie je vaak dat een verkeerd voedingspatroon gekoppeld is aan zich slecht voelen of aan onderliggende trauma’s.” 

Jaarlijks organiseert Wijkgezondheids-centrum Lokeren ook een rookstop-programma via groepssessies, waarbij er wordt samengewerkt met een externe tabakoloog. “We geven ook groepssessies rond koken en diabetes en we verwijzen onze patiënten regelmatig door naar preventieacties, zoals ademhalingssessies of slaapsessies met een psychomotorisch therapeut. We proberen dan steeds heel concrete tips mee te geven en minder hard te focussen op de theorie.” 

Preventie, een kwestie van motivatie 

Vanuit overheidshoek mogen er voor Kim gerust nog meer middelen naar preventie vloeien. Heel recent besliste minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke dat kinderen en jongeren die lijden aan obesitas vanaf 1 december 2023 hun behandeling bij een diëtist volledig terugbetaald krijgen. Zeker 19 procent van de kinderen en jongeren in ons land kampt met overgewicht en bijna zes procent lijdt aan obesitas, een ernstige en chronische vorm van overgewicht. “Niets te vroeg, maar bij volwassenen betalen sommige ziekenfondsen nog steeds heel weinig terug, soms maar één keer in het bestek van een leven. Bij ons is er gelukkig geen financiële drempel, een meerwaarde voor patiënten met een beperkt inkomen, taalbarrière en/of laaggeletterdheid. Regelmatig schakelen we sociale tolken in via de dienst inburgering of via familie. We werken ook met video’s, universele beeldplaten, enz.” 

Aan preventie doen, dat is op dezelfde nagel blijven kloppen, zeker om de patiënten te blijven motiveren tot deelname, weet Kim uit ervaring. “Dat blijft de grootste uitdaging. Maar onze patiënten beseffen steeds meer dat we preventie belangrijk vinden. Ze krijgen die boodschap mee tijdens onze consultaties. Voor groepssessies vragen we nu ook een waarborg van vijf euro. Als ze komen, wordt die terugbetaald. Intern zie ik heel duidelijk dat preventie een vaste waarde wordt binnen ons eigen aanbod van eerstelijnszorg, maar ook in de samenwerking met externe organisaties, zoals de Moazoart (meikever in Lokers dialect, red.), een lokaal ontmoetingshuis waar maatschappelijk kwetsbare inwoners van Lokeren samen-komen om te koken of te eten”, besluit Kim. 

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Wil je graag op de hoogte blijven van het laatste nieuws bij
Dag v/d Zorg? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief.


                                                         


Zorg is duurzaam

Het Kasterhuis: duurzaam, inclusief en coöperatief

In de schilderachtige Scheldevallei in Wetteren verrijst op vraag van zorgorganisatie Fiola en met de hulp van de sociale coöperatieve Macropus een duurzame ontmoetingsplek voor de medewerkers, de cliënten en bij uitbreiding iedereen. De financiering is coöperatief, de bouw duurzaam, de invulling inclusief. “Het Kasterhuis opent zijn deuren in april 2024 en wordt een plek van velen voor velen”, vertelt Brecht De Schepper, algemeen directeur van Fiola. 

“Doen we het interview in dit bosje in plaats van in de werfkeet?” vraagt Brecht De Schepper bijna retorisch. Sinds januari 2023 is hij algemeen directeur van Fiola, een organisatie die mensen met een beperking ondersteunt om zo zelfstandig mogelijk te kunnen wonen, werken en leven. “We tellen 222 werknemers en begeleiden ruim 2.500 cliënten. In onze veertien vestigingen doen onze tien lokale teams ambulante en mobiele een-op-eenbegeleiding en groepswerking. Daarnaast hebben we twee inclusieve kinderdagverblijven die dus ook kinderen met een beperking ondersteunen. In leeftijden gaan we van prematuur tot heel matuur in onze werking. Bij de minder-jarigen focussen we vooral op motorische en verstandelijke beperking.” 

We posteren ons op een bank, vlak naast de werf van Het Kasterhuis, een duurzaam en inclusief project in de steigers. De graaf-werken zijn achter de rug, de kelder-verdieping met traphal en liftkoker is klaar en de houten kolommen en balken zijn net geleverd voor de opbouw van de -bovengrondse constructie in houtskelet. “We hebben een basisstructuur met open ruimtes die doorheen de tijd modulair kunnen omgevormd worden voor andere functies. Om de densiteit van auto’s bovengronds te verminderen, hebben we een ondergrondse parking gebouwd. Zo belasten we deze mooie, natuurrijke omgeving veel minder.” 

“Wij begeleiden onze cliënten, maar zij begeleiden ons ook en doen ons op een andere manier naar de dingen kijken” – Directeur Brecht de Schepper

Macropus als ‘mecenas’

Fiola is een nog jonge organisatie die vijf jaar geleden ontstond uit een fusie van zes kleinere diensten voor begeleid wonen, waaronder Kangoeroe. De grotere organisatie was op zoek naar een plek voor hun centrale administratie en zo viel hun oog op Wetteren en deze locatie, waar voorheen een gebouw stond van Kangoeroe dat niet meer aan de normen voldeed. 

De coöperatieve organisatie Macropus, opgericht in 2007, beheerde het vroegere Kangoeroegebouw en bouwt er nu Het Kasterhuis voor Fiola. “In 2022 veranderde Macropus van een gewone CVBA naar een coöperatieve met sociaal oogmerk, een CVSO dus. De coöperatie heeft dan ook een sociaal doel, ze wil bijdragen aan een inclusieve samenleving door financiën te verzamelen om vastgoed te kunnen realiseren om te verhuren aan sociaal rechtvaardige huurprijzen. Vanaf één aandeel van 360 euro kan je aandeelhouder worden, vertelt Katrien Dewitte, bestuurder bij Macropus. “Dankzij de inbreng van vele privépersonen, bedrijven en Fiola zelf kan dit gebouw gerealiseerd worden. We zijn nog steeds op zoek naar extra ethische investeerders. Momenteel hebben we 980.000 euro opgehaald via onze aandeelhouders, we mikken op 1,3 miljoen euro. Ze krijgen een beperkt rendement van één tot anderhalf procent, het houdt de afwaardering van hun kapitaal dus een beetje tegen. Er staan zovele miljarden op onze spaarboekjes, het zou toch leuk zijn als er nog meer spaargeld wordt geactiveerd voor sociaal ondernemerschap? De overheid zou daar ook een sturende rol in kunnen spelen. Wie tien aandelen koopt, zal hier gratis mogen overnachten en deelnemen aan onze activiteiten. Je kan maximaal tien procent van het stemrecht hebben binnen een CVSO.” 

Brecht: “Omdat we met Fiola geen residentiële setting aanbieden voor mensen met een beperking en het financieringssysteem van de Vlaamse overheid daarop gebaseerd is, kwamen we voor deze bouw in aanmerking voor nul euro subsidies. Zonder de samenwerking met Macropus zouden we met eigen middelen moeten bouwen aan 21 procent btw en zaten we ook in de wetgeving rond overheidsopdrachten. Maar wij wilden in een hecht bouwteam werken, waarbij de bouwheer (Macropus), de huurders (Fiola en Coddiwomple), de architect en de aannemers G-Build (verantwoordelijk voor de ruwbouw en algemene coördinatie) en Lab15 (specialist in passieve houtskeletbouw) van bij de start samen nadachten hoe we dit gebouw zo duurzaam en betaalbaar mogelijk kunnen maken. De uitdaging is dan ook niet min: we concipiëren een gebouw dat én administratie én verblijf én polyvalente ruimtes én spreekkamers moet huisvesten.” 

Een plek voor iedereen

Op het gelijkvloers van Het Kasterhuis komen vooraan consultruimtes die Fiola zal gebruiken voor een-op-eengesprekken met cliënten en ouders. Brecht: “In die gesprekken zit echt onze expertise. Daarnaast komen er een polyvalente ruimte met ingewerkte keuken en twee ateliers. Op de eerste verdieping komen de bureaus voor de medewerkers van Fiola en de tweede verdieping wordt ingericht als een hotel voor mensen met én zonder beperking. Er zullen ruimtes zijn voor een midweek voor mensen met bijvoorbeeld een niet–aangeboren hersenletsel, maar we mikken evengoed op sociaal toerisme voor gezinnen. Wandelaars en fietsers zullen hier kunnen verblijven, maar ook bedrijven – kunnen een plekje reserveren voor een tweedaagse opleiding. Het moet vooral een inclusieve plek worden: een huis van velen voor velen. Het is onze ambitie dat deze plek deels zal uitgebaat worden door onze cliënten, dus door mensen met een beperking die we zo een zinvolle activiteit kunnen aanbieden. Wij begeleiden hen, maar zij begeleiden ons ook en doen ons
op een andere manier naar de dingen kijken.”

“We willen enkel verhuren aan sociaal rechtvaardige huurprijzen, en dus niet om maximaal rendement te behalen” – Bestuurder Katrien Dewitte

De 3 P’s: people, planet, profit

Het concept van het Kasterhuis is gebouwd met duurzaamheid in het achterhoofd. Katrien: “We zochten naar een balans tussen de sociale, milieu- en economische – aspecten van het gebouw, de 3 P’s, zeg maar: people, planet en profit. Daarom moet het integraal toegankelijk zijn voor iedereen. Daarom willen we een gebouw realiseren met een zo laag mogelijke energievraag en maken we gebruik van onuitputtelijke, hernieuwbare bronnen. En daarom zal Macropus enkel verhuren aan sociaal rechtvaardige huurprijzen, en dus niet om maximaal rendement te behalen. De meerwaarde moet naar het sociaal oogmerk gaan. ” 

Ook wat het gebouw zelf betreft, is er grondig nagedacht om in alle aspecten duurzaamheid na te streven. Dat start met een modulaire inrichting en nagroeibare materialen die later gerecycleerd of hergebruikt kunnen worden:-, zoals hout in de constructie en de gevel en houtwol in de wanden. Katrien: “We kiezen ook voor EPS-korrels als vloerisolatie, ladura-wanden en gezonde pleister. Ook het binnenklimaat willen we zo duurzaam mogelijk maken door te kiezen voor gezonde bouw- en afwerkingsmaterialen. Gespoten purisolatie komt niet in dit gebouw. We zorgen voor verse, frisse lucht met een doordacht gepositioneerde ventilatie, een slim lichtplan en een aangename temperatuur in zomer en winter door zonnewering en passieve koeling. We willen in eerste instantie onze energievraag beperken. Wat we aan energie toch nog nodig hebben, realiseren we via een BEO-veld (een verwarmingstechniek waarbij warmte aan de ondergrond wordt onttrokken, red.), geothermische warmte-pompen en zonnepanelen. We verbruiken geen gas meer, waardoor we grotendeels zelfvoorzienend worden op energievlak.”

De toiletten worden doorgespoeld met regenwater en een infiltratiewadi van 24.000 liter vangt het overige regenwater tijdelijk op, waarna het langzaam in de bodem wegzakt. Katrien: “Er komt wel nog vers stadswater binnen dat nadien terug naar de riool gaat – zelf zuiveren doen we niet – maar we willen wel heel bewust omgaan met water. Toen het hier nog een bouwput was, kozen we voor retourbronbemaling: het opgepompte water keerde terug naar de omliggende grachten en het bos.”  

Gedeeld eigenaarschap

In een ruimer plaatje linkt Brecht duurzaamheid spontaan met gedeeld eigenaarschap. “Als je samen iets deelt, ga je er op een andere manier voor zorgen. Die filosofie is de kern van Het Kasterhuis. Duurzaamheid is een van onze vier kernwaarden, naast nabijheid, krachtgericht en in partnerschap. Ja, wij willen excelleren in duurzaamheid als dat in verbinding staat met onze andere waarden. Ik wil hier niet de meest groene building zetten als dat niet in partnerschap is met anderen. Ik zag onlangs op de werf twee bakken, één met hout en één met metaal, perfect gesorteerd. We werken als bouwteam in partnerschap met onze onderaannemers. Het is zo fijn als je duurzaamheid ook in de kleinste details ziet.” 

Fiola organiseert zelf ook groepsreizen voor hun cliënten. Normaal gaan die naar leuke hotspots in eigen land of in onze buur-landen, maar nu hebben we alvast een plek gereserveerd in Het Kasterhuis voor een aantal cliënten in juli 2024. We moeten dus sowieso onze bouwdeadline halen”, besluit de algemeen directeur. 

Het Kasterhuis in groene cijfers

  • 10 geothermische boringen in een dreef naast het aangrenzende bos
  • 2 putten van 15.000 liter voor de opslag
    van regenwater en een infiltratiewadi van 24.000 liter
  • 84 zonnepanelen van 425Wp op het dak

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Wil je graag op de hoogte blijven van het laatste nieuws bij
Dag v/d Zorg? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief.


                                                         


Zorg is dichtbij

AZ Sint-Lucas brengt haar ziekenhuis
naar de mensen

Wie in de docureeks ‘Helden van Hier: De Mug’ zag hoe urgentieartsen en -verpleegkundigen van AZ Sint-Lucas patiënten hielpen en geruststelden in heftige situaties – liefst in het ‘vrie wijze’ Gentse dialect – zal er niet van opkijken dat het ziekenhuis bijzonder veel aandacht besteed aan nabijheid voor zowel zorgvragers als zorgverleners. Dag van de Zorg sprak erover met directieleden Els Vanblaere en Christine Van der Hoogerstraete.

AZ Sint-Lucas ontstond in 1998 uit de fusie van twee Gentse ziekenhuizen, AZ Heilige Familie en AZ Sint-Vincentius. In 2004 kwam daar ook AZ Volkskliniek bij. Vandaag telt AZ Sint-Lucas zo’n 2.300 medewerkers en 230 artsen en 780 bedden. Vorig jaar registreerde het ziekenhuis meer dan 500.000 raadpleging en ruim 65.000 (dag)opnames.

“Onze hoofdcampus ligt in hartje Gent. We zijn dus een echt stadsziekenhuis”, vertelt verpleegkundig en paramedisch directeur Els Vanblaere. “De helft van onze patiënten is dan ook afkomstig uit Gent. Maar we hebben ook heel wat patiënten die van verder komen.”

De zorgregio waarin AZ Sint-Lucas zich bevindt, bestrijkt grotendeels het noordwesten van de provincie Oost-Vlaanderen en reikt in het noorden tot aan de Nederlandse grens en in het westen tot aan de provinciegrens met West-Vlaanderen. 

“Daarom hebben we ook verschillende medische centra in nabijgelegen gemeenten. Onze eerste polyklinische activiteit was in Zelzate, waarna we ook een centrum openden in Aalter en Lochristi. Momenteel zijn we druk bezig met de plannen voor een nieuwe polikliniek in Evergem”, vervolgt Els. “Natuurlijk bieden de medische centra niet alle diensten aan die je ook op onze hoofdcampus terugvindt, maar patiënten kunnen er wel terecht voor zo goed als alle consulten en een aantal behandelingen. Op die manier brengen we ons ziekenhuis naar de mensen en zorgen we ervoor dat we voor het overgrote merendeel van onze doelgroep altijd dichtbij zijn.”

Ook voor heel wat medewerkers is het ziekenhuis nabij. “Wij proberen dan ook zoveel mogelijk te recruteren onder de spreekwoordelijke kerktoren”, zegt Christine Van der Hoogerstraete, die in AZ Sint-Lucas aan de slag is als directeur personeel & organisatie. “Kinderen van medewerkers krijgen voorrang in het kinderdagverblijf – met ruime openingsuren – dat zich op onze terreinen bevindt.”

Letterlijk en figuurlijk

‘Dichtbij’ kan je, zeker binnen de zorg- en welzijnssector, op verschillende manieren interpreteren. Als je in het geval van AZ Sint-Lucas kijkt naar het grotere geheel, denk je al snel aan een ziekenhuisgebouw dat zich letterlijk in de buurt van haar patiënten bevindt. Maar ook binnen dat ziekenhuis wordt er hard gewerkt aan nabijheid voor haar gebruikers en medewerkers.

“Hoewel we een groot ziekenhuis zijn met veel hoogtechnologische apparatuur, zetten we net heel erg in op het menselijke aspect”, verduidelijkt Els. “Gezien onze expertise en moderne infrastructuur krijgen we vaak te maken met zware ingrepen waarbij de huidige technologie onontbeerlijk is. Maar zowel onze patiënten als onze zorgverleners zijn in de eerste plaats mensen. Iemand geruststellen wanneer hij wakker wordt na een operatie, een luisterend oor bieden wanneer het een patiënt even teveel is, tijd maken voor een jong kind dat bang is, bezorgde familie opvangen en te woord staan … Dat zijn zaken waarvoor je geen robots kan inzetten. Die vragen menselijke interactie, nauwe nabijheid, oogcontact en vertrouwen.”

“Iemand geruststellen wanneer hij wakker wordt na een operatie, een luisterend oor bieden wanneer het een patiënt even teveel is, tijd maken voor een jong kind dat bang is, bezorgde familie opvangen en te woord staan  – dat zijn zaken die nabijheid vragen” – Verpleegkundig en paramedisch directeur Els Vanblaere

“Die menselijke nabijheid is trouwens niet alleen belangrijk voor de patiënten en hun netwerk, maar ook voor onze zorgverleners”, voegt Christine toe. “Je stapt niet in de zorg om enkel en alleen apparatuur te bedienen of met computers te werken. Wie voor deze sector kiest, doet dat in de eerste plaats omdat ze mensen willen helpen. Het is dan ook vooral uit dat menselijk contact dat ze hun waardering halen. En niet alleen van medewerker tot patiënt of omgekeerd, maar ook onderling. Samenwerken is in de zorgsector ontzettend belangrijk en soms zelfs van levensbelang. Daarom werken we elke dag aan een leuke sfeer en zetten we in op collegialiteit. Wanneer een medewerker op de werkvloer geconfronteerd wordt met een heftig incident, zoals bijvoorbeeld agressie, voorzien wij ook traumaopvang.

Daarnaast nemen we uitgebreid onze tijd om nieuwe medewerkers warm te onthalen. Op hun eerste dag worden ze ontvangen door een collega van het begeleidingsteam die hen wegwijs maakt in het ziekenhuis, zowel letterlijk als figuurlijk. Later volgt er nog een ondersteuningsgesprek met een medewerker van het begeleidingsteam en een evaluatiegesprek met hun verantwoordelijke op 2,5 maanden, 6 maanden en 1 jaar. Je kan dus wel zeggen dat we onze medewerkers van heel nabij opvolgen. 

We willen dat iedere medewerker zich welkom en gewaardeerd voelt – en zich zo blijft voelen doorheen zijn of haar loopbaan. Bij openstaande vacatures zoeken we het ook niet ver, want we geven steeds eerst onze huidige medewerkers de mogelijkheid om zich kandidaat te stellen. Zo krijgt iedereen de kans om te groeien, houden we mensen tevreden en geëngageerd en zorgen we ervoor dat het werk werkbaar blijft.”

Diversiteit als kracht

“Door onze ligging in een grootstedelijk stadscentrum hebben we een heel divers publiek”, zegt Els. “Sociale toegankelijkheid blijft dan ook een grote prioriteit voor AZ Sint-Lucas. Door actief in te zetten op diversiteit en interculturaliteit weet ons personeel erg goed wat belangrijk is voor anderen in menselijk contact én bij medische behandelingen. Opnieuw zaken die ons de kans bieden om zo dicht mogelijk bij de patiënt te staan.”

“Ons patiëntenbestand is een weer-spiegeling van de maatschappij, en die weerspiegeling zien we ook terug bij onze medewerkers”, vult Christine aan. “Dat zien wij echt als een meerwaarde. Gemotiveerde kandidaten willen we zoveel mogelijk kansen bieden om bij ons aan de slag te gaan. Als iemands Nederlands bijvoorbeeld nog bijgeschaafd moet worden, bieden we taalcoaching aan op de werkvloer. Daarnaast werken we mee aan verschillende projecten die mensen de kans geven om vlot de overstap te maken vanuit een andere carrière, zoals #kiesvoordezorg, project 600 en project 360.

Deskundigheid is een van onze belangrijkste waarden en daar willen we ook onze bestaande medewerkers ten volle in ondersteunen. Elk van hen wordt gestimuleerd om regelmatig vorming te volgen, zowel binnen als buiten de muren van het ziekenhuis. Zo houden ze hun vaardigheden up-to-date en beschikken ze steeds op de meest recente kennis. Ook wie werken en studeren wil combineren, is bij ons aan het juiste adres.”

Samen sterk

Ook buiten het ziekenhuis en haar poli-klinieken zet AZ Sint-Lucas in op nabijheid voor haar patiënten. Dat doen ze onder meer door intensief samen te werken met drie andere ziekenhuizen uit de buurt.

“Samen met UZ Gent, AZ Jan Palfijn en AZ Oudenaarde vormen we het Ziekenhuisnetwerk Gent. We werken al sinds 2020 samen voor specifieke zorgtrajecten en schreven de voorbije jaren aan een regionaal zorgstrategisch plan dat in juni van dit jaar goedgekeurd werd door de bevoegde minister”, licht Els toe. “Die goedkeuring bekrachtigt onze ambities om samen met hen en andere zorgactoren kwaliteitsvolle en betaalbare zorg te bieden die optimaal aansluit bij de zorgbehoeften in de regio.”

In het netwerk bundelen niet alleen de medische en verpleegkundig-paramedische disciplines maar ook de ondersteunende diensten zoals IT, HR, communicatie, financiën en kwaliteitszorg hun expertise. “Zo zijn patiënten altijd zeker van de best mogelijke, kwalitatieve zorg en een gelijke behandeling binnen het netwerk, ongeacht het ziekenhuis waar ze zich aanmelden.”

In maart 2021 opende AZ Sint-Lucas samen met de Huisartsenvereniging Gent ook een nieuwe huisartsenwachtpost waar patiënten op vrijdagavond, in het weekend en op feestdagen terecht kunnen voor dringende medische hulp. “Ook hier speelt nabijheid een belangrijke rol, want de huisartsen in de wachtpost kunnen indien nodig snel doorverwijzen naar de spoedgevallendienst – die zich letterlijk naast de deur bevindt ”, legt Els uit. “Omgekeerd kan onze drukbezochte spoedgevallendienst op hun beurt eveneens
patiënten naar de wachtpost verwijzen, zodat mensen met een urgente hulpvraag sneller geholpen kunnen worden.
Bovendien lopen op onze spoedgevallendienst ook huisartsen in opleiding stage en trachten we een brug te slaan met de huisartsenwachtpost, zodat ze daar later misschien wel aan de slag kunnen.”

“Menselijke nabijheid is niet alleen belangrijk voor de patiënten en hun netwerk, maar ook voor onze zorg­verleners – je stapt niet in de zorg om enkel en alleen apparatuur te bedienen of met computers te werken” – Directeur personeel & organisatie Christine Van der Hoogerstraete

Net als bij heel wat andere zorg- en welzijns-organisaties, toonde de corona-pandemie ook bij dit Gentse stadsziekenhuis een andere realiteit die nieuwe inzichten met zich meebracht. “Zo kregen we tijdens de pandemie pas echt te zien hoeveel mensen beroep doen op mantelzorg, en hoe intensief die mantelzorgers de meest nabije zorg bieden. Daar wilden we dan ook meer mee aan de slag gaan, dus zijn we gaan nadenken hoe we de nabijheid van mantel-zorgers in ons klinisch proces konden integreren. We zijn momenteel ook bezig met een project op onze revalidatieafdelingen om hen echt een plek te geven binnen het zorgteam van de patiënt. Zo willen we mantelzorgers enerzijds de erkenning en de ondersteuning bieden die ze verdienen en anderzijds een stukje expertise meegeven”, besluit Els.

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Wil je graag op de hoogte blijven van het laatste nieuws bij
Dag v/d Zorg? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief.


                                                         


Zorg is innovatief

Een innovatief pleidooi  voor
gezondheidspromotie en ziektepreventie

UZ Brussel wil een lans breken voor preventieve geneeskunde met ‘haar’ Brussels Universitair Gezondheidshuis, een nieuw innovatief pilootproject dat inzet op gezondheid promoten en ziekten voorkomen. “Dat gaat inderdaad in tegen ons businessmodel, maar wij zijn altijd al ‘gewoon anders’ geweest”, vertellen innovatiemanager Sonia Van Dooren en CEO Marc Noppen in koor. 

Ruim tien jaar geleden las Marc Noppen, CEO van UZ Brussel, in een landmark paper van de Amerikaanse econoom en disruptie–goeroe Clayton Christensen deze zin: In order to survive hospitals will have to be innovative.  “Omdat zowel de maatschappij, de gezondheidszorg als de ziekenhuizen continu aan verandering onderhevig zijn, moet je innovatief veranderen om niet te sterven”, steekt de CEO van wal. “De ziekenhuiswereld is van nature een erg conservatieve wereld. In tegenstelling tot vele hoeraberichten over nieuwe medische doorbraken is het heel moeilijk om gewoontes te veranderen in die medische wereld. Artsen zijn nu eenmaal getraind om heel voorzichtig met risico’s om te gaan. Dat komt dikwijls in het voordeel van de patiënt uit, maar het duurt daardoor ook gemiddeld ruim tien jaar voor een nieuwe richtlijn breed wordt toegepast.” 

Volgens Noppen zouden ziekenhuizen (net als andere ondernemingen)  zo’n zeventig procent van hun tijd en middelen besteden aan het continu beter maken van wat ze vandaag al doen, procesverbetering dus. “Deze incrementele innovatie is broodnodig en daar zijn we onder het wateroppervlak continu mee bezig, maar dat is natuurlijk niet cool om de media mee te halen. Wat meer in de schijnwerpers komt, zijn het invoeren van echt nieuwe zaken – maar die elders al worden toegepast (20 procent) en disruptieve innovaties (10 procent), dat wil zeggen zaken die absoluut vernieuwend zijn en nog nergens anders gebeuren. De drie types van innovatie zijn belangrijk voor een ziekenhuis en vinden parallel plaats. Daarvoor moet je wel een kader creëren opdat mensen de vrijheid en de goesting hebben om nieuwe dingen te proberen en om te falen, want de meeste innovaties mislukken nu eenmaal. In UZ Brussel zien we de medische en ondersteunende diensten minstens twee keer per jaar om hen te bevragen naar nieuwe ideeën, medische ontwikkelingen maar evengoed innovatieve zorgprocessen. Eigenlijk moet je jezelf regelmatig in vraag stellen: waarom doen we de dingen zoals we ze doen?”

Preventie verzoenen met wetenschap

De CEO komt zelf uit de praktijk als longarts met ruim twintig jaar ervaring. “Jezelf in vraag stellen, is niet iets wat bij iedereen even hard aanwezig is, en dan druk ik me zacht uit. Je moet top-down laten zien dat dit belangrijk is voor een ziekenhuis. Nu, je hebt altijd tien procent ‘trekkers’ of pioniers, tien procent ‘halfdoden’ en tachtig procent volgers. Hoe aanstekelijker een nieuw idee is, hoe sneller het ingang zal vinden.”

Een pilootinnovatie die heel aanstekelijk klinkt, is het Brussels Universitair Gezondheidshuis, dat gebouwd moet worden op de fundamenten van UZ Brussel. Marc: “Het idee is zeker disruptief, en dat heeft veel te maken met de ‘perversie’ van ons geneeskundig model. We zijn heel goed geworden in het repareren van wat kapot gaat aan een mens, maar we zijn – tenminste zeker als ziekenhuis – quasi niet bezig met het voorkomen dat het fout loopt met het menselijk lichaam en geest. In een ingewikkelde zorgarchitectuur met verschillende bevoegdheidsdomeinen, ministers en financiële silo’s, is het zeker niet evident dat een ziekenhuis zich gaat ontfermen over gezondheid(spromotie), in die zin is het zeker transformationeel.”

“Via bloedanalyse in het labo gaan we biomerkers identi­ficeren die diabetes, cardiovasculaire of andere gezondheidsproblemen kunnen voorspellen” – Innovatiemanager Sonia Van Dooren

Innovatiemanager Sonia Van Dooren ziet een enorme contradictie. “Er is rond preventie weinig of geen regelgeving, terwijl die in de medische gezondheidszorg (cure) net enorm sterk is. Er is ook nauwelijks of geen regelgeving op vlak van wie aan preventie mag doen. Velen volgen een korte opleiding tot gezondheidscoach maar hebben vaak weinig of geen basis in de gezondheidszorg.”

Marc (vult aan): “Wij willen dat op een wetenschappelijk onderbouwde en correcte manier aan gezondheidspromotie en ziektepreventie doen, op basis van objectieve gegevens en parameters die we opvolgen bij een aantal mensen die we gaan begeleiden naar een gezonder leven. Om de twee jaar heb je een dieetgoeroe die in de krant komt met een ‘visionair’ dieet dat zelden een solide wetenschappelijke basis heeft, en dat geldt voor veel domeinen, denk ook aan slaapgezondheid. Er zijn nu vele gezondheidscoaches zonder degelijke basisopleiding.  Wij hebben ook geen toverstok, maar we willen een holistische benadering van gezondheid nastreven – op een wetenschappelijk gefundeerde manier – zodat we op termijn minder mensen moeten opnemen die we moeten verlossen van aandoeningen als gevolg van slechte leefgewoonten.”

Druist dat niet in tegen de businesscase van hun ziekenhuis? “Ja, dat druist in tegen ons businessmodel, maar om onze gezondheidszorg op termijn te kunnen behouden en betaalbaar te houden, moet onze bevolking gezonder worden, want op de meeste statistieken scoren we op dat vlak zeer middelmatig. Leading by example, dus. Als we dit niet doen, rijden we vroeg of laat tegen de muur met ons allen.”

Meer gezonde mensen betekent minder druk op onze gezondheidszorg, dat bleek overduidelijk tijdens de coronapandemie. “Tijdens de covidcrisis heeft UZ Brussel meer dan 5.000 patiënten opgenomen. Diegene die op IZ zijn beland en uiteindelijk overleden, waren gemiddeld zwaarder, hadden meer diabetes en onderliggende hart- en vaataandoeningen dan wie niet op IZ is beland. Ik nam toen contact op met een aantal huisartsenkringen uit de omgeving met de boodschap dat een slechte basisgezondheid mee verantwoordelijk was voor een deel van de covidoverlijdens. De gemiddelde huisarts zei me echter dat ze te weinig tijd hebben om zwaar te investeren in preventie. Er is dus nog een vacuüm.
Sommige wijkgezondheidscentra maken daar al wel werk van, via hun multidisciplinaire aanpak. Alle medisch geschoolde mensen, zoals kinesisten, moeten ook de kans krijgen om tijdens hun loopbaan nieuwe opleidingen in preventie te volgen, via wetenschappelijk onderbouwde modules.”

“Eigenlijk moet je jezelf regelmatig in vraag stellen:
waarom doen we de dingen zoals we ze doen?” –
CEO Marc Noppen

Graag terugbetaling a.u.b.

Nauwelijks twee procent van het Vlaamse gezondheidsbudget gaat nu naar preventie, daarmee scoren we Europees slecht.  Sonia: “Via een wetenschappelijke aanpak willen we onze overheid overtuigen dat er in de nabije toekomst meer terugbetaling voor preventie komt. Maar met een aantal goeroes die jou of mij op een vrije markt allerlei middelen aanbieden die niet wetenschappelijk gevalideerd zijn, zullen we de overheid terecht nooit kunnen overtuigen om meer te investeren in preventie. Laat ons dus evidence based starten, en nadien, in co-creatie met bedrijven bijvoorbeeld, verder innoveren.”  

Marc Noppen wil preventie ook uit de pure preventiesfeer weghalen. “Preventie klinkt nog heel medisch en dan bots je al snel op ‘eigendom’. Wie moet het gaan doen: de huisartsen, wijkgezondheidscentra, thuisverpleegkundigen …? Preventie is ook een langetermijn verzekeringsbusinessmodel: we geven nu (een beetje) geld uit om binnen x jaar de vruchten te plukken. Een politieke legislatuur duurt vier tot zes jaar, dat lijkt te kort om die langetermijnvruchten te plukken. Maar dat is een foute inschatting, want de effecten van preventie zie je binnen één legislatuur en soms al na zes maanden, zoals bij rokers die gestopt zijn. Daar zie je na zes maanden al minder hospitalisaties, en dat brengt dus geld op. In preventie zit ten slotte ook screening en vaccinatie, maar wij willen echt de nadruk leggen op gezondheidspromotie, en die promotie heeft voor een groot deel te maken met psychologie, gedrag en leefgewoontes. Die kan je het best beïnvloeden met ‘nudging’ (mensen sturen richting gewenst gedrag via maatschappelijke maatregelen, red.). Waarom dragen we onze veiligheidsgordel? Niet omdat onze linkerhersenhelft weet dat dit veiliger is, maar omdat onze amygdala dat ellendig getuut niet kan verdragen als we onze gordel niet dragen. We moeten dus veel meer inzetten op maatschappelijk gedrag veranderen via sociale maatregelen dan op uitgaven via dure overheids-campagnes. (op dreef nu) Wist je dat we op Malta na het slechtste OESO-land zijn wat betreft ‘vermijdbare gezondheidsschade door te weinig beweging’? Tijdens COVID-19 maakten we echter de grootste inhaal-beweging van alle Europese landen. Waarom? Omdat we toen enkel mochten fietsen en wandelen …” 

Starten in eigen huis

Hoe zal een en ander concreet in zijn werk gaan met het Brussels Universitair Gezondheidshuis? Sonia: “Met gezondheids-promotie willen we mensen die gezond zijn, gezond houden. Meestal gaan mensen hun gewoonten pas aanpassen na ziekte of kanker, wij willen mensen gezond houden en ook mensen die niet gezond leven maar nog niet ziek zijn op het gezonde pad krijgen. We gaan, als pilootproject, starten met de eigen medewerkers van ons ziekenhuis en hen gedurende minstens één jaar volgen. Na een jaar hopen we dan een objectieve verbetering te zien van een aantal lichaamsfuncties die we op voorhand bepalen. Dat moet dan resulteren in minder ziektedagen, werkverzuim, etc. Een gezonde medewerker is vaak een gelukkige medewerker.” 

“Na de onboarding starten we met een digitale vragenlijst over hun levensstijl, nadien volgt een sportmedische keuring, onderzoek naar lichaamssamenstelling, een inspanningstest, maar we meten ook het energieverbruik naar voeding toe én het psychosociaal welzijn. Via bloedanalyse in het labo gaan we biomerkers identificeren die diabetes, cardiovasculaire of andere gezondheidsproblemen kunnen voorspellen. We doen ook een microbioomanalyse, dat is een analyse van de stoelgang waarbij we de samenstelling van de darmflora bekijken. Tot slot kijken we bij de DNA-analyse naar polymorfismen, dat zijn varianten in ons DNA die veel voorkomen en die een indicatie kunnen geven naar bijvoorbeeld aller-gieën. Op basis van al die parameters kunnen we een levensstijladvies geven. Hiervoor willen we samenwerken met een extern bedrijf dat een app heeft ontwikkeld die de patiënt kan opvolgen en stimuleren om meer te sporten, de voeding aan te passen enzovoort.”

Zo’n preventieverhaal vanuit een universitaire ziekenhuisomgeving klinkt fantastisch, maar dit is sowieso geen goedkoop plaatje, zeker als je dit op termijn breder wil invoeren in de maatschappij. Sonia: “Als er vanuit het RIZIV geen terugbetaling kan komen, kan er misschien wel een opening gecreëerd worden via de ziekenfondsen en verzekeraars, zeker als we evidence based kunnen aantonen dat preventie loont. Destijds hebben we zelf als ziekenhuis zwaar ingezet op de NIPT, de niet-invasieve prenatale test die nu als screeningstest voor alle zwangere vrouwen wordt terugbetaald en onder andere het risico op een kind met het Downsyndroom inschat. We hebben daar ook het voortouw genomen, lang voor het terugbetaald werd. Maar het klopt, als de patiënt dit preventieverhaal helemaal zelf zal moeten betalen, blijven we steken in een soort luxegeneeskunde, en dat is niet waar wij voor staan”, besluit de innovatiemanager. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

5 innovatiedomeinen, talloze toepassingen­

UZ Brussel onderscheidt vijf innovatie-domeinen: medische technologie (medtech), biotechnologie (biotech), datatechnologie (datatech), digitale technologie (digitech) en zorgprocessen. Vele projecten zijn ook een combo van deze domeinen. In het piloot-project Brussels Universitair Gezondheidshuis domineert het innovatiedomein zorgprocessen, maar zijn ook alle andere domeinen betrokken. Innovatie-manager Sonia Van Dooren: “Het einddoel is steeds om de patiënten beter te behandelen, of om de precisie van de
behandeling te vergroten. Onder medtech hebben we bij medische beeldvorming nu revolutionaire CT-scans die veel sneller en scherpere beelden geven met minder straling, waardoor er minder contrast-vloeistof moet gebruikt worden. Een 4D CT-scan beweegt dan weer over de patiënt, waardoor die niet met op een tafel hoeft. Ons hartmapping navigatiesysteem laat dan weer toe om hartritme-stoornissen snel te identificeren en er meteen de nodige behandeling aan te koppelen.” Ook in robotica zijn de mogelijkheden legio, bij labo-robotica, in digitale OK’s maar evengoed bij revalidatie. “We werken hiervoor nauw samen met Brubotics van VUB. Een exoskeleton op de rug kan mensen opnieuw beter leren stappen.”

Sonia is ook manager van het interuniver-sitair (VUB-ULB) genomics platform BRIGHTcore in biotech. “Hier doen we onder andere DNA-analyses op delen van tot op het volledige genoom in drie domeinen: genetica, kankeronderzoek en microbiologie. We focussen onder meer op erfelijke, genetische aandoeningen en tumoren, waarbij we sneller tot een diagnose of een betere therapie willen komen. In de toekomst willen we evolueren naar een farmacogenetisch paspoort zodat de apotheker je kan zeggen welke medicatie je al dan niet kan nemen. Gepersonaliseerde geneeskunde, zeg maar.” 

Even gepersonaliseerd is immuuntherapie. “Daar gaan we de eigen cellen van een patiënt isoleren en wapenen om kankercellen te kunnen aanvallen en/of om het immuunsysteem beter te wapenen. Want kankercellen zijn cellen die de ‘boodschap’ hebben gekregen dat ze ongebreideld kunnen groeien, waardoor ze tumoren ontwikkelen.” In het domein van digitech kan je via een slimme camera in een ziekenhuiskamer accuraat aan valdetectie doen.  Of een kind dat wekelijks een prikje moet, krijgt een VR-bril met een leuk filmpje om de aandacht van de prik af te leiden enzovoort. “In onze zorgprocessen vermelden we graag onze hightech zieken-wagen, die state-of-the-art is uitgerust voor een transport van een kritieke patiënt van een tweedelijnsziekenhuis naar ons, waarbij de artsen in realtime op de hoogte blijven.”

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Wil je graag op de hoogte blijven van het laatste nieuws bij
Dag v/d Zorg? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief.


                                                         


Zorg is warm

Villavip Diepenbeek biedt warme zorg
op maat als geen ander

In een VillaVip wonen tien mensen met een beperking samen met een zorgkoppel in een moderne kangoeroewoning. We spreken met Marijke Declercq, zorgcoach binnen de overkoepelende organisatie VillaVip Vlaanderen, over wat het project zo bijzonder maakt en gaan langs bij Jennifer Utsch en David Bleyen in Diepenbeek, om te ontdekken hoe zij, samen met de bewoners, van hun VillaVip woning een warme thuis maken.

“Wat een VillaVip zo uniek maakt, is dat het leven er eigenlijk heel gewoon verloopt”, vertelt Marijke, die in 2018 zelf in de eerste VillaVip trok als zorgkoppel, en vandaag als zorgcoach de West-Vlaamse VillaVip woningen ondersteunt. “Het huis ziet er niet anders uit dan andere woningen, er wordt elke dag samen gekookt en gegeten, en ’s avonds praten de bewoners als een groot gezin bij of kijken ze gezellig een film in de woonkamer. De bewoners leven volgens hun eigen ritme en er is ruimte voor hun eigen hobby’s, interesses en passies.” 

Samen met een inwonend zorgkoppel bouwen ze er aan een fijne thuis waarbij persoonlijke aandacht, warmte en vooral veel liefde centraal staan. “We kiezen er bewust voor om de woningen kleinschalig te houden. Daardoor hebben onze zorgkoppels en het netwerk van hun bewoners een directe communicatielijn met elkaar. Dat zorgt voor veel wederzijds vertrouwen en een grote betrokkenheid van alle partijen”, aldus Marijke.

Ook de manier waarop VillaVip achter de schermen georganiseerd wordt, is behoorlijk uniek. “Onze zorgkoppels zijn eigenlijk zorgondernemers die als het ware hun eigen kleinschalige zorgorganisatie leiden. Vanuit de koepelorganisatie staan wij hen bij met raad en daad en bieden we ondersteuning op maat aan. Terzelfdertijd krijgen de koppels ook veel vrijheid om hun eigen visie te kunnen uitdragen, stellen ze zelf hun bewonersgroep samen en werven ze eigenhandig een klein team van vaste medewerkers aan. Ze hebben dus veel verantwoordelijkheid, maar ook de vrijheid om hun eigen agenda in te plannen. En het allerbelangrijkste: ze staan nooit alleen. Mijn collega’s en ik zijn maar een telefoontje verwijderd en zoeken met plezier mee naar oplossingen voor vragen of problemen.”

Dat was precies wat Jennifer Utsch en David Bleyen zo aantrok in VillaVip. Zij namen begin dit jaar hun intrek als zorgkoppel, samen met hun gezin. “Wij hebben allebei pas op latere leeftijd besloten om de zorg in te gaan. Of eerder: we ontdekten pas op latere leeftijd waar onze passie écht lag”, vertelt Jennifer. Het koppel had van bij de start van hun opleiding verpleegkunde een heel duidelijk beeld van hoe ze zorg wilden verlenen: warm, nabij en kwalitatief. Toen ze kennis maakten met VillaVip, hadden ze meteen het gevoel dat de uitdaging hen op het lijf geschreven was. “We waren na ons eerste gesprek eigenlijk meteen verkocht”, lacht David. “Maar we wilden geen overhaaste beslissing nemen. We wilden er zeker van zijn dat we hier zorg konden bieden zoals wij die willen bieden. Uiteindelijk zat er tussen dat eerste gesprek en onze uiteindelijke start bij VillaVip een jaar. In die tijd is er veel overleg geweest zijn tussen ons en de VillaVip Vlaanderen, waarbij hoe langer hoe duidelijker werd dat we echt een goeie match waren.”

Een hechte familie

Dat ze een goeie match waren, werd snel duidelijk toen ze uiteindelijk als zorgondernemers in het verhaal van VillaVip stapten. “Als zorgkoppel krijgen we de volledige verantwoordelijkheid voor de organisatie van onze woning en de invulling daarvan. Zo konden we zelf een klein team van vaste medewerkers aanwerven die ons ondersteunen bij de dagelijkse werking. Dat zijn mensen die onze visie van warme zorg helemaal delen”, legt Jennifer uit. “Samen met hen en onze bewoners zijn we een hechte familie.”

“We voelen ons hier echt goed, maar dat is vooral omdat we zien dat onze bewoners zich hier ook goed voelen”, voegt David toe. “We beleven alles samen zoals een gezin: er wordt veel plezier gemaakt en gelachen, maar er vloeien ook wel eens tranen. Dat kan en dat mag hier. Hoewel we een aparte voordeur hebben die naar ons privégedeelte leidt, wordt die zelden gebruikt. Er is geen dag waarop we niet aanwezig zijn bij onze bewoners. Zelfs wanneer we een vrije dag hebben en een uitstap met ons kerngezin gepland hebben, springen we voor ons vertrek altijd eens binnen om afscheid te nemen en de bewoners te laten weten wanneer we terug zijn.”

David en Jennifer hebben ook twee kinderen, de negenjarige Louis en zesjarige Emilia, die nu al heel duidelijk de visie van hun mama en papa delen. “Als we de keuze aan hun zouden laten, deden we helemaal niets meer alleen”, lacht David. “Ik overdrijf niet wanneer ik zeg dat we hen voor een gezinsuitstap naar een pretpark soms echt moeten overtuigen om mee te gaan, gewoon omdat ze zo graag tijd doorbrengen met de bewoners. Maar het is uiteraard niet altijd even simpel. Iemand met autisme kan bijvoorbeeld, onbedoeld, nogal onverwacht uit de hoek komen. Voor een kind kan dat hard binnenkomen. We hebben hen daar gelukkig intensief op voor-bereid en blijven dat ook nu nog doen. In zo’n situatie leggen we hen uit waarom die persoon zo reageerde, en op die manier kunnen ze dat plaatsen. Vaak zijn ze vijf minuten later alweer met die bewoner aan het babbelen.”

“Ook daar zijn we echt net als een grote familie hé”, valt Jennifer hem bij. “Het is zo geweldig om te zien hoeveel de bewoners van onze kinderen genieten en omgekeerd. Het mooiste voorbeeld is dat twee van onze bewoners twee keer per maand fruit gaan schillen op de school van onze kinderen, samen met de andere schilmoekes. De aanwezige ouders gaan dan in de klas van hun kinderen fruit schillen, bij Louis en Emilia komt er elk een bewoner die ze dan vol trots voorstellen aan hun vriendjes en juf.” Hartverwarmender kan het niet!

Voor ieder wat wils

De bewoners van VillaVip Diepenbeek hebben heel verschillende problematieken en leeftijden. “Mensen denken vaak dat die combinatie het samenleven moeilijker maakt, maar wij ervaren net het omgekeerde”, zegt Jennifer. “Stel dat alle tien van onze bewoners gebonden zouden zijn aan een rolstoel, dan vraagt een activiteit buitenshuis een veel grotere organisatie. Met één of twee rolstoelgebruikers heb je dat probleem niet. Hetzelfde geldt eigenlijk voor eender welke beperking, of die nu mentaal of fysiek is. Door een gezonde mix te creëren in huis, rekenen de bewoners niet alleen op ons en op de begeleiders, maar ook op elkaar. Daardoor ontstaat er een groot wederzijds respect.”

“We voelen ons hier echt goed, maar dat is vooral omdat we zien
dat onze bewoners zich hier ook goed voelen”

Momenteel bieden Jennifer en David onderdak aan negen bewoners en hebben ze drie begeleiders in dienst. Dat geeft hen de kans om één-op-één met de bewoners aan de slag te gaan en heel erg op maat van elke bewoner te werken. “We hebben zowel een algemene activiteitenplanning als een planning per bewoner”, licht David toe. “Beide planningen komen altijd in samenwerking met onze bewoners tot stand. Ons hoofddoel is immers dat zij zich zo optimaal mogelijk kunnen ontplooien en een zinvolle dagbesteding hebben waar ze zich goed bij voelen. 

Daarom werken we onder meer met een ideeënbus waar elke bewoner zijn of haar ideeën in kan stoppen. Die gebruiken we dan om de algemene activiteitenplanning op te maken, zo is er voor ieder wat wils en hebben onze bewoners daar toch hun eigen inbreng voor kunnen leveren. Het gebeurt wel eens dat een bewoner niet veel zin heeft in een bepaalde activiteit, maar uiteindelijk tijdens zo’n groepsuitstap nieuwe dingen ontdekt die ze leuk vinden. Bovendien zijn ze ook heel trots wanneer een activiteit hun idee was.”

“Voor de persoonlijke planningen baseren we ons op de noden en de talenten van onze bewoners. Die stellen we dan ook altijd op in samenspraak met de bewoner en diens netwerk”, vertelt Jennifer. “Zo hebben we een bewoonster die enorm veel houdt van paarden en dus geregeld aan hippotherapie doet. Een tijdje geleden liet zij vallen dat ze graag wat vaker wou gaan zwemmen. Sindsdien gaat een van onze begeleiders elke maandagvoormiddag met haar naar het zwembad. Wanneer er meer begeleiders beschikbaar zijn en andere bewoners er zin in hebben, gaan zij ook wel eens mee – zo worden persoonlijke activiteiten soms ook groepsactiviteiten.

We hebben bijvoorbeeld een bewoner die heel graag en goed zingt en daar ook twee keer per week lessen voor volgt. Als hij in de douche staat, kan iedereen meegenieten en wordt hij aangemoedigd onder luid applaus. Nog andere bewoners blijven het liefst van al gewoon thuis en helpen mee bij het snijden van de groenten aan de keukentafel. Zij krijgen dan steevast complimenten van hun medebewoners omdat de soep weer zo lekker was. De samenhorigheid die hier heerst, is gewoon prachtig om dag in dag uit te mogen ervaren.” Kortom: in VillaVip Diepenbeek is de zorg even warm en hartelijk als de verse huisgemaakte soep! 

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Wil je graag op de hoogte blijven van het laatste nieuws bij
Dag v/d Zorg? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief.