Zorgvernieuwer Teun Toebes droomt vooruit
Als alles mogelijk was, hoe zouden zorg en welzijn er in 2035 dan uitzien?
Teun Toebes (27)
- Teun is verpleegkundige, zorgethicus en internationaal zorgvernieuwer. Hij werkt als verpleegkundige in Amsterdam.
- Op zijn 21e ging hij vrijwillig wonen op een gesloten afdeling van een verpleeghuis, waar hij drieënhalf jaar samenleefde met mensen met dementie. Vanuit die ervaring groeide zijn missie om anders te kijken naar dementie en zorg.
- Samen met filmmaker Jonathan de Jong maakte hij de internationaal bekroonde documentaire Human Forever, die in meer dan 35 landen werd uitgebracht.
- Hij pleit voor een zorg die niet vertrekt vanuit risico en bescherming, maar vanuit kwaliteit van leven, inclusie en verbondenheid met de samenleving.
Als ik naar 2035 kijk, dan droom ik van een samenleving waarin we zorg niet langer in de eerste plaats als een probleem benaderen, maar als een samenlevingsvraagstuk.
Vandaag halen we mensen soms uit hun vertrouwde omgeving om hen te laten leven op een plek die van de wereld is afgesneden. Maar ik droom van een samenleving waarin mensen, ook wanneer ze zorg nodig hebben, zoveel mogelijk deel blijven uitmaken van het gewone leven. Is dat niet de samenleving waar we naartoe zouden moeten?
Als ik naar 2035 kijk, dan geloof ik dat we geen klassieke woonzorgcentra meer bouwen.
Ik zie woonvormen op het snijvlak van wonen, werken, zorg en leven. Huizen waar mensen met verschillende leeftijden, mogelijkheden en ondersteuningsnoden samenleven. Niet om de hele dag elkaars hand vast te houden, maar om elkaar gewoon tegen te komen. In de keuken, op straat, aan de voordeur. Is dat niet veel meer hoe we van nature samenleven?
Als ik naar 2035 kijk, dan hoop ik dat levenskwaliteit vóór medisch handelen komt.
Vanuit de beste intenties hebben we een systeem gebouwd dat mensen wil beschermen en in leven houden. Maar soms vergeten we waarvoor we dat doen. Iemand die te weinig eet, krijgt proteïnesupplementen. Iemand die moeilijk wandelt, krijgt een loophulpmiddel. Ik hoop dat we eerst vragen: wat wil deze persoon eigenlijk kunnen, doen en beleven? En pas daarna: welke zorg is daarvoor nodig?
Als ik naar 2035 kijk, dan bezoek ik zorgorganisaties die minder intramuraal denken.
De kinesist hoeft niet altijd binnen de voorziening te werken. Misschien gaan bewoners samen naar de lokale sportclub. Misschien brengen mensen hun eigen meubels mee. Ik droom van voorzieningen die geen afgesloten werelden zijn, maar huizen die verbinding zoeken met de buurt. Waarom zou goede zorg zich binnen de muren van een voorziening moeten afspelen?
“Als we alle gevaren uit het leven willen halen, halen we uiteindelijk ook het leven zelf weg.”
Als ik naar 2035 kijk, dan verwacht ik dat mensen met dementie niet langer automatisch opgesloten worden.
Veiligheid hoeft niet te betekenen dat iedereen binnen moet blijven. Een gesloten afdeling lijkt veilig, maar kan ook nieuwe risico’s creëren. Wie de hele dag zit en weinig beweegt, verliest spierkracht en loopt later misschien juist meer risico om te vallen. Wat bedoeld is als bescherming, kan dus ook kwetsbaarheid veroorzaken. Niet iedereen met dementie heeft dezelfde behoeften of hetzelfde levensverhaal. Een telefoon met locatie, een armband of een eenvoudige afspraak kunnen soms volstaan. Als we alle gevaren uit het leven willen halen, halen we uiteindelijk ook het leven zelf weg. In een goede zorginstelling moet er ruimte zijn om te leven, en dus ook voor de mogelijke gevolgen. Want wat blijft er over als we elk risico willen uitsluiten?
Als ik naar 2035 kijk, dan wil ik dat goed doodgaan opnieuw een vanzelfsprekend onderdeel is van goed leven.
We zijn er niet om mensen koste wat het kost in leven te houden of voortdurend gelukkig te maken. Sterven hoort bij het leven. Net als kwetsbaarheid, afscheid en verdriet. Waarom zouden we het einde anders benaderen dan de rest van het leven?
Als ik naar 2035 kijk, dan droom ik uiteindelijk van iets eenvoudigs: dat zorg weer zoveel mogelijk over leven gaat.
Over ergens bij horen. Over kunnen kiezen. Over naar buiten kunnen. Over risico’s mogen nemen. Over geholpen worden zonder dat je daardoor je gewone leven verliest. Misschien is dat wel de grootste verandering: niet een zorgsysteem dat steeds beter wordt in het organiseren van zorg, maar een samenleving waarin mensen steeds minder uit het gewone leven gehaald worden zodra ze zorg nodig hebben.