Een dubbelinterview met Karine Moykens en Geert Van Hootegem

Zorgen voor een veranderende samenleving

Zorg en welzijn staan voor  grote veranderingen. We worden ouder, leven langer en hebben andere verwachtingen van de sector. Tegelijk krimpt de beroepsactieve bevolking. Hoe houden we de zorg dan betaalbaar, menselijk en werkbaar? Arbeidssocioloog Geert Van Hootegem en Karine Moykens, secretaris-generaal van het Departement Zorg, buigen zich over het topic. 

Karine Moykens
Geert Van Hootegem

Wat is volgens jullie vandaag de grootste verandering die op de zorg afkomt?

Geert: “De demografische verandering. Dat klinkt misschien als een klassieker, maar we onderschatten de impact ervan. Er zijn steeds minder mensen tussen 18 en 65 jaar en meer 65-plussers. Tegen 2040 daalt de beroepsactieve bevolking met bijna tien procent. Minder mensen moeten dus voor meer mensen zorgen.”

Karine: “Voor mij is het vooral de combinatie van verschillende ontwikkelingen. Vergrijzing en verzilvering zijn geen nieuwe verhalen, maar ze komen samen met multimorbiditeit, chronische aandoeningen, mentale kwetsbaarheid, een krappe arbeidsmarkt, milieufactoren én burgers die andere verwachtingen hebben. Mensen willen meer inspraak, maatwerk en levenskwaliteit. Dat alles beïnvloedt elkaar.”

Wat betekent die veranderende zorgvraag concreet voor de manier waarop we zorg verlenen?

Karine: “Vroeger was een zorgvraag meer afgebakend: welke behandeling heb ik nodig voor dit probleem? Vandaag gaat het veel vaker over verschillende aandoeningen die samenkomen, gecombineerd met sociale, psychologische en praktische noden. Dat betekent ook een verschuiving van cure naar cure én care. Het uiteindelijke doel blijft hetzelfde: mensen helpen om een betekenisvol leven te leiden.”

Geert: “Dit klinkt misschien vreemd, maar: mensen voetballen meer dan ooit en toch zijn er steeds minder voetbalclubs. Ook dát zegt iets over hoe we ons sociale leven vandaag organiseren.”

Wat zit er achter die veranderingen?

Geert: “Onze samenleving is veel meer versnipperd geraakt. Gezinnen zijn kleiner en diverser geworden, mensen wonen vaker alleen en relaties en gezinnen veranderen. Daardoor is ook de informele zorg minder vanzelfsprekend. Vroeger konden partners, kinderen of buren gemakkelijker op elkaar terugvallen. Vandaag staat die zorg veel meer onder druk.”

Karine: “Mensen worden steeds ouder en willen langer zelfstandig en actief blijven. Dat is positief, maar het vraagt wel dat we zorg anders organiseren.”

Wat moet er dan concreet veranderen?

Geert: “We moeten af van de silo’s. Specialisatie is belangrijk, maar als iedereen alleen vanuit zijn eigen discipline kijkt, wordt samenwerken moeilijk. Het is als het fluisterspel: iedereen geeft een stukje door, maar onderweg gaat de samenhang
verloren. Daarom moet de generieke component groter worden, en dat start al in de opleidingen. Waarom zouden studenten verpleegkunde en vroedkunde niet al tijdens hun opleiding leren hoe ze rond één persoon kunnen samenwerken?”

Karine: “Die samenwerking stopt niet bij de professionals. Als iemand thuis zorg nodig heeft, spelen ook familie, buren, welzijnswerkers en vrijwilligers een rol. Daarom moeten we niet alleen kijken naar welke zorg iemand nodig heeft, maar ook naar de omgeving waarin die persoon leeft. In een zorgzame buurt kunnen al die vormen van ondersteuning beter op elkaar aansluiten, zodat mensen zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven.”

Geert: “We hebben de voorbije decennia veel zorg georganiseerd rond voorzieningen. Maar als je bijvoorbeeld een woonzorg­centrum bouwt voor één specifieke zorgvraag, creëer je een eiland. We moeten dus meer kijken naar wat een buurt nodig heeft en hoe verschillende vormen van ondersteuning daar kunnen samenkomen. En precies daar zijn experimenten nodig om uit te zoeken hoe dat in de praktijk kan werken.”

“Goede praktijk is pas echt waardevol als je ze kunt delen en elders kunt toepassen."

Jullie zijn beiden betrokken bij ToekomstZorg, een traject dat ruimte maakt voor dit soort experimenten. Wat willen jullie daaruit leren?

Karine: “We willen vooral ontdekken welke nieuwe manieren van werken een verschil maken. Daarom creëren we vanuit het
Departement Zorg ruimte om te experimenteren. Via regelluwte kunnen de twaalf projecten tijdelijk afwijken van bepaalde bestaande regels en procedures. Ze worden drie jaar lang wetenschappelijk opgevolgd. Zo verzamelen we niet alleen goede ideeën, maar zien we ook wat echt resultaat oplevert.”

Geert: “De Boomgaard in Kessel-Lo is alvast een veelbelovend pilootproject. Men wil er in een buurtgericht woonproject verschillende zorg- en welzijnsvragen samenbrengen: ouderen, mensen met mentale problemen, mensen met een verslavingsproblematiek … Dat past vandaag niet netjes in één hokje. En net daarom is het interessant.”

Karine: “Ja, inderdaad. Al wil ik benadrukken dat een goede praktijk pas echt waardevol is als je ze kunt delen en elders kunt toepassen. Daarom kijken we bij ToekomstZorg niet alleen naar wat werkt, maar ook naar wat schaalbaar is.”

Geert: “En we kijken uiteraard ook naar wat níét werkt. We zijn soms zo bang om mislukkingen te delen, terwijl anderen daar net veel uit kunnen leren. Daarom is ontmoeting zo belangrijk. Als verschillende sectoren, organisaties en professionals elkaar leren kennen, ontstaan er vaak spontaan nieuwe samenwerkingen. Dat zien we ook binnen ToekomstZorg: de gesprekken tussen de officiële momenten door zijn soms even interessant als wat er op het programma staat.”

Waar halen jullie zelf inspiratie?

Karine: “Voor mij begint inspiratie bij mensen die de complexiteit van onze samenleving niet ontkennen, maar zich er ook niet door laten verlammen. Ik ga daarom veel op het terrein. Als ik beleid maak, wil ik weten wat er echt gebeurt. Onlangs werd ik nog bewogen door de Tubbehuizen, omdat bewoners er niet alleen zorg ontvangen maar ook mee beslissen en iets kunnen betekenen voor elkaar. Zo wordt zorg meer een gedeelde verantwoordelijkheid.”

Geert: “Ik haal mijn inspiratie dan weer vaak uit hoe mensen samenwerken. Ik ben daar zelfs een beetje een freak in. Als ik met mijn vrouw in een restaurant zit, kijk ik automatisch hoe het personeel georgani­seerd is: wie doet wat, hoe lopen de processen, waar werkt het goed en waar kan het beter?”

Karine: “Inspiratie hoeft niet altijd uit grote theorieën of beleidsplannen te komen. Soms begint ze gewoon bij goed kijken naar hoe mensen met elkaar samenwerken.”

“Als iedereen alleen naar zijn eigen stukje kijkt, verliezen we het geheel uit het oog.”